ECLI:NL:GHARL:2015:7637

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de enkele stelling dat een bord ontbrak onvoldoende is. Uit het zaakoverzicht blijkt genoegzaam dat de geldende snelheid 100 km/u bedroeg. Namens de betrokkene is aangevoerd dat er op dat moment geen snelheidsbord stond waaruit te achterhalen was hoe hard men ter plekke mocht rijden. Aan de Nederlandse grens staat een bord waarop staat vermeld dat men op de snelweg 130 km/h mag rijden. Zoals ook de kantonrechter heeft overwogen valt uit het zaakoverzicht niet op te maken of en waar ten tijde van de bestreden gedraging borden A1 waren geplaatst waarop stond vermeld dat op het onderhavige traject de maximumsnelheid van 100 km/h gold. Door de officier van justitie is geen nadere informatie overgelegd waaruit iets blijkt ten aanzien van de bebording op dit gedeelte van de A4. Nu de informatie over de bebording ter plaatse ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

Uitspraak

WAHV 200.149.496
12 oktober 2015
CJIB 170197840
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 17 maart 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland),
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 128,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 17 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 maart 2013 om 21.39 uur op de A4 rechts (trajectcontrole) te Leidschendam met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de bestreden beslissing alsmede de inleidende beschikking vernietigd en bepaald dat de zekerheidstelling aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd. Hiertoe heeft de kantonrechter – kort gezegd – overwogen dat uit de zich in het dossier bevindende stukken niet valt op te maken of en waar ten tijde van de bestreden gedraging het voor het onderhavige traject geldende bord A1, met een maximumsnelheid van 100 km/h, stond, zodat de kantonrechter niet kon constateren dat de verweten gedraging door de betrokkene is begaan.

3. De officier van justitie kan zich met de door de kantonrechter gegeven beslissing niet verenigen en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de enkele stelling van de betrokkene dat een bord ontbrak onvoldoende is. Uit het zaakoverzicht blijkt genoegzaam dat de geldende snelheid ten tijde van de gedraging 100 km/u bedroeg. Daarbij komt dat de kantonrechter ambtshalve op de hoogte was van het feit dat op de betreffende pleeglocatie een maximum snelheid van 100 km/u gold en het geldende A1 bord aanwezig was. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van dezelfde kantonrechter van dezelfde datum, waarin de kantonrechter overweegt dat een maximumsnelheid van 100 km/u geldt op de autosnelweg A4. De officier van justitie stelt dan ook dat de betrokkene wel degelijk op de hoogte had kunnen zijn van de maximumsnelheid. Dat hij hiervan onvoldoende kennis heeft genomen komt voor zijn rekening en risico. Naar de mening van de officier van justitie dient de beslissing van de kantonrechter vernietigd te worden en dient het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie alsnog ongegrond te worden verklaard.

4. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van de factoren tijd en afstand.

Gemeten (afgelezen) gemiddelde snelheid : 121 km per uur
Werkelijke (gecorrigeerde) gemiddelde snelheid : 117 km per uur.
Toegestane snelheid : 100 km per uur.
Overschrijding met : 17 km per uur.

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van Procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel (afgelezen) snelheid.

De bestuurder werd ter plaatse niet staandegehouden. Er werd volstaan met bekeuren op kenteken.

De overtreding werd automatisch en langs elektronische weg digitaal geconstateerd en vastgelegd.

Het snelheidscontroletraject bevond zich in de gemeente Leidschendam.

De geconstateerde gemiddelde snelheid was het resultaat van een berekening die plaatsvond op basis van de tijdsduur en de afgelegde wegafstand van het controletraject.

IJkdatum: 05-12-2012
Overtreden artikel: 62 jo. bord A1 RVV 1990
Soort weg: autosnelweg, zijnde een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
Rijrichting van: Leiden
Rijrichting naar: Leidschendam
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 42.8R”

6. Namens de betrokkene is aangevoerd dat er op dat moment geen snelheidsbord stond waaruit te achterhalen was hoe hard men ter plekke mocht rijden. Aan de Nederlandse grens staat een bord waarop staat vermeld dat men op de snelweg 130 km/h mag rijden.

7. Door de betrokkene is niet betwist dat over het gereden traject met een gemiddelde snelheid is gereden van 121 km/h (gecorrigeerd 117 km/h), zoals in het zaakoverzicht van de verbalisant is vastgelegd. Wel is betwist, dat dat is geschied in een gebied, waar de snelheid van 100 km/h was aangegeven door borden A1.

8. Anders dan de officier van justitie kennelijk meent, blijkt uit de door de officier van justitie overgelegde uitspraak van dezelfde kantonrechter en van dezelfde datum niet dat de kantonrechter ambtshalve op de hoogte was van het feit dat op de betreffende pleeglocatie een maximum snelheid van 100 km/u gold en het geldende A1 bord aanwezig was. Uit die uitspraak blijkt immers dat díe betrokkene wist dat er een maximumsnelheid gold van 100 km/h. De kantonrechter heeft in die zaak dan ook overwogen dat de betrokkene erkent de gedraging te hebben verricht, zodat deze in de zaak van díe betrokkene vaststond. Anders dan de officier van justitie lijkt te stellen is niet relevant of de kantonrechter op de hoogte was van de ter plekke geldende maximumsnelheid van 100 km/h, maar is slechts van belang of deze voor de betrokkene kenbaar was, hetgeen de betrokkene nu juist betwist.

9. Zoals ook de kantonrechter heeft overwogen valt uit het zaakoverzicht niet op te maken of en waar ten tijde van de bestreden gedraging borden A1 waren geplaatst waarop stond vermeld dat op het onderhavige traject de maximumsnelheid van 100 km/h gold. Door of namens de officier van justitie is tot op heden geen nadere informatie overgelegd waaruit iets blijkt ten aanzien van de bebording op dit gedeelte van de A4 ten tijde van de gedraging.

10. Het hof is dan ook van oordeel dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat uit de zich in het dossier bevindende stukken niet valt op te maken of en waar ten tijde van de bestreden gedraging het voor het onderhavige traject geldende bord A1, met een maximumsnelheid van 100 km/h, stond, zodat de conclusie van de kantonrechter dat hij niet kon constateren dat de verweten gedraging door de betrokkene is begaan, niet onbegrijpelijk is. Nu de informatie over de bebording ter plaatse ontbreekt, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2015:7637”

  1. In het arrest van 13 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1040, wordt gerefereerd naar onderhavig arrest.
    Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen met 12 km/u (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op de A2 te Baambrugge.
    In deze zaak wordt door de betrokkene de aanwezigheid van een bord met 100 km/u niet betwist, maar wordt gesteld dat dit bord in combinatie met een onderbord was geplaatst waarop een flexibele limiet stond aangeduid (’06-19′). Naar aanleiding van het betoog van de betrokkene heeft de officier van justitie in de beslissing op het beroep uitgelegd dat het traject waarop de meting plaatsvond (op welk traject hectometerpaal 39.7 is geplaatst) buiten het gebied met de flexibele snelheidslimiet valt. Op de pleeglocatie geldt 24 uur per dag een maximumsnelheid van 100 km/u. Naar het oordeel van het hof heeft de officier van justitie met deze motivering de beroepsgronden afdoende weerlegd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *