ECLI:NL:GHARL:2015:7627

In deze WAHV-procedure is beroep ingesteld tegen de wettelijke verhogingen van de administratieve sanctie. De gemachtigde heeft aangevoerd dat op grond van artikel 6 EVRM de betrokkene het recht heeft om zijn bezwaren tegen de aan hem opgelegde verhogingen aan een rechter voor te leggen. Dat de betrokkene – nadat een dwangbevel tegen hem zou zijn uitgevaardigd of verhaal is genomen – de mogelijkheid heeft verzet te doen, brengt naar de mening van de gemachtigde niet mee dat de betrokkene niet door de kantonrechter in zijn beroep kon worden ontvangen. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat noch op grond van de WAHV, noch op grond van de Algemene wet bestuursrecht of een andere wettelijke regeling, beroep openstaat bij de rechter tegen de opgelegde verhogingen. Niet eerst dan nadat een dwangbevel is uitgevaardigd, staat voor de betrokkene het rechtsmiddel van verzet open. Het gaat hier slechts om de rechtmatigheid van de inning van de sanctie. Derhalve is geen sprake van een ‘criminal charge’ of een ‘determination of civil obligations’.

Uitspraak

WAHV 200.144.374
9 oktober 2015
CJIB 163764606
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 11 februari 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
voor wie als gemachtigde optreedt mr. A.W. van Gemert,
kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen het uitblijven van een besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 17 maart 2015 is nog een schrijven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De zaak is behandeld ter zitting van 25 september 2015. De betrokkene is bij gemachtigde verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.E. Joha.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene heeft in onderhavige procedure beroep ingesteld tegen de verhogingen van de administratieve sanctie en heeft daarbij expliciet aangegeven dat het beroep niet is gericht tegen de inleidende beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd.

2. De kantonrechter heeft het beroep in het dictum van zijn uitspraak niet-ontvankelijk verklaard, omdat – kort gezegd -op grond van de WAHV of de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep openstaat tegen opgelegde verhogingen van een sanctiebeschikking als bedoeld in de WAHV, waarbij de kantonrechter heeft overwogen dat hij zichzelf onbevoegd acht om van een dergelijk beroep kennis te nemen. Gelet op de motivering van diens beslissing heeft de kantonrechter hiermee kennelijk bedoeld zichzelf onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van het beroep in plaats van het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter aldus verstaan.

3. De gemachtigde van de betrokkene heeft onder meer aangevoerd dat op grond van het bepaalde in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de betrokkene het recht heeft om zijn bezwaren tegen de aan hem opgelegde verhogingen aan een rechter voor te leggen. Dat de betrokkene – nadat een dwangbevel tegen hem zou zijn uitgevaardigd of verhaal is genomen – de mogelijkheid heeft verzet te doen, brengt naar de mening van de gemachtigde niet mee dat de betrokkene niet door de kantonrechter in zijn beroep kon worden ontvangen. Hiertoe voert de gemachtigde aan dat in de verzetsprocedure (financiële) drempels met betrekking tot het betalen van griffierecht en zekerheidstelling worden opgeworpen die het recht op toegang tot de rechter als bedoeld in artikel 6 van het EVRM beperken.

4. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat noch op grond van de WAHV, noch op grond van de Algemene wet bestuursrecht of een andere wettelijke regeling, beroep openstaat bij de rechter tegen aan de betrokkene op grond van de artikelen 23 en 25 van de WAHV opgelegde verhogingen. Niet eerst dan nadat een dwangbevel is uitgevaardigd als bedoeld in artikel 26 van de WAHV, staat voor de betrokkene het rechtsmiddel van verzet open.

5. Anders dan de gemachtigde van de betrokkene is het hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 6 van het EVRM niet tot een ander oordeel leidt. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU7141, gepubliceerd op rechtspraak.nl) is het hof van oordeel dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet van toepassing is ten aanzien van de opgelegde verhogingen als bedoeld in de artikelen 23 en 25 van de WAHV en/of de verzetprocedure als bedoeld in artikel 26 en 26a van de WAHV. Bij de vraag of een verhoging al dan niet terecht is opgelegd dan wel een dwangbevel terecht is uitgevaardigd, kan de rechtmatigheid van de sanctie zelf geen voorwerp van onderzoek meer zijn en gaat het slechts om de vraag naar de rechtmatigheid van de inning van de sanctie. Derhalve is geen sprake van een ‘criminal charge’ of een ‘determination of civil obligations’, zoals in voornoemd arrest van de Hoge Raad is overwogen.

6. Nu geen beroep openstaat heeft de kantonrechter zichzelf terecht onbevoegd verklaard, zodat het hof die beslissing – na verbeterde lezing – zal bevestigen.

7. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het kostenverzoek afwijzen.

8. Het hof merkt nog op dat de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal ter zitting van het hof heeft medegedeeld dat zij opdracht zal geven om de aan de betrokkene opgelegde verhogingen van de sanctie ongedaan te maken.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2015:7627”

  1. In het arrest van 10 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1003, verwijst het hof naar onderhavig arrest.
    Onderhavig arrest is thans nog steeds actueel.

    6. Anders dan de gemachtigde is het hof van oordeel dat het bepaalde in artikel 6 van het EVRM niet meebrengt dat een betrokkene een rechtsmiddel kan instellen tegen de van rechtswege ingetreden verhoging. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU7141, gepubliceerd op rechtspraak.nl) is het hof van oordeel dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet van toepassing is ten aanzien van de opgelegde verhogingen als bedoeld in de artikelen 23 en 25 van de WAHV en/of de verzetprocedure als bedoeld in artikel 26 en 26a van de WAHV. Bij de vraag of een verhoging al dan niet terecht is opgelegd dan wel een dwangbevel terecht is uitgevaardigd, kan de rechtmatigheid van de sanctie zelf geen voorwerp van onderzoek meer zijn en gaat het slechts om de vraag naar de rechtmatigheid van de inning van de sanctie. Derhalve is geen sprake van een 'criminal charge' of een 'determination of civil obligations', zoals in voornoemd arrest van de Hoge Raad is overwogen (vgl. het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 9 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7627). De omstandigheid dat bij of krachtens de WAHV niet is voorzien in de mogelijkheid van het instellen van beroep tegen de aan een betrokkene opgelegde verhoging is naar het oordeel van het hof dan ook niet in strijd met het EVRM.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *