ECLI:NL:GHARL:2015:7245

Onterechte sanctie ter zake van “voertuig laten staan in een park, plantsoen of openbare beplantingen of groenstroken”. Het hof wordt gesteld voor de vraag of de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond moet gelden als behorend tot de weg of dat inderdaad sprake is van een groenstrook. Op basis van de overgelegde foto’s van de locatie stelt het hof vast dat het een voor het openbaar verkeer openstaande weg betreft, die aan de desbetreffende zijde grenst aan een strook gras. De stelling van de officier van justitie, inhoudende dat de weg is afgescheiden door een verhoogde stoeprand, deelt het hof niet, aangezien uit de overgelegde foto’s is gebleken dat dit een opsluitband betreft. Nu de strook gras direct is gelegen aan de weg, doet deze zich naar het oordeel van het hof voor als een tot de weg behorende berm, zodat geen sprake is van een groenstrook, dan wel een park, plantsoen of openbare beplantingen.

Uitspraak

WAHV 200.150.866
28 september 2015
CJIB 170741330

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel
van 28 mei 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “voertuig laten staan in een park, plantsoen of openbare beplantingen of groenstroken”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 maart 2013 om 14:17 uur op de Gravenweg te Aadorp met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene ontkent niet dat hij op tijd en plaats als onder 1. vermeld zijn voertuig heeft laten staan, maar voert aan dat het voertuig op een van de weg deel uitmakende berm in de zin van de Wegenverkeerswet stond. Ter plaatse was geen sprake van een park, plantsoen, beplanting of groenstrook. Ter onderbouwing hiervan heeft de betrokkene foto’s van de betreffende locatie overgelegd. Voorts geeft de betrokkene aan dat de stelling van de officier van justitie, zoals aangevoerd tijdens de zitting van de kantonrechter, inhoudende dat de weg is afgescheiden door een verhoogde stoeprand, niet correct is, aangezien er sprake is van een smalle opsluitband die is bedoeld om te voorkomen dat de bestrating uit elkaar loopt. Bovendien verzoekt de betrokkene het hof om de begrippen park, plantsoen, openbare beplantingen, groenstrook en berm te definiëren.

3. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB – zakelijk weergegeven – in dat het voertuig van de betrokkene op 18 maart 2013 heeft gestaan in een park, plantsoen of openbare beplantingen of groenstroken.

5. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van het bepaalde in artikel 5:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Almelo. Dit artikel luidt – voor zover van belang – als volgt:

"1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.

2. Dit verbod is niet van toepassing:

a. op de weg; (…)"

6. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 moet onder het begrip wegen worden verstaan:

“Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten”.

7. Het hof wordt gesteld voor de vraag of de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond moet gelden als behorend tot de weg – in welk geval voornoemd verbod niet van toepassing is – of dat inderdaad sprake is van een groenstrook.

8. Op basis van de door de betrokkene overgelegde foto’s van de locatie stelt het hof vast dat de Gravenweg een voor het openbaar verkeer openstaande weg betreft, die aan de desbetreffende zijde grenst aan een strook gras. De stelling van de officier van justitie, inhoudende dat de weg is afgescheiden door een verhoogde stoeprand, deelt het hof niet, aangezien uit de overgelegde foto’s is gebleken dat dit een opsluitband betreft. Nu de strook gras direct is gelegen aan de weg, doet deze zich naar het oordeel van het hof voor als een tot de weg behorende berm, zodat geen sprake is van een groenstrook, dan wel een park, plantsoen of openbare beplantingen. Dit betekent dat het was toegestaan daar een voertuig te laten staan. De onder 1. vermelde gedraging is derhalve niet komen vast te staan.

9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en, met gegrondverklaring van het beroep, de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen.

10. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Dit betreft een kennelijke omissie van de regelgever: bedoeld is onderdeel d. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 2,90 ( [woonplaats] – Almelo v.v.).

11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, beslist het hof als volgt.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 14 augustus 2013, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 170741330 de administratieve sanctie is opgelegd;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 2,90;
  • bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Bakker als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *