ECLI:NL:GHARL:2015:7007

De tweede volzin van artikel 2, eerste lid, WAHV bepaalt dat voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard zijn uitgesloten. Dat houdt in dat de voorschriften van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering inzake de opsporing, vervolging en berechting niet van toepassing zijn, tenzij deze in de WAHV zelf van toepassing worden verklaard.
De Hoge Raad heeft de kentekenaansprakelijkheid zoals neergelegd in artikel 5 van de WAHV bij uitspraak van 15 juli 1993 niet in strijd met het internationale recht geoordeeld. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is tot hetzelfde oordeel gekomen, inhoudende dat de kentekenaansprakelijkheid van artikel 5 van de WAHV niet in strijd is met artikel 6 EVRM en de in dat artikel gewaarborgde onschuldpresumptie.
Dat fotograferen van de achterzijde van een voertuig niet is toegelaten en hierover nog nooit is geoordeeld door een rechter, is niet juist. Deze werkwijze is in Nederland toegestaan en past bij de in artikel 5 van de WAHV neergelegde kentekenaansprakelijkheid. Dat in Duitsland voertuigen slechts aan de voorzijde mogen worden gefotografeerd en sancties slechts aan de bestuurder kunnen worden opgelegd, kan daaraan niet afdoen.

Uitspraak

WAHV 200.160.102
21 september 2015
CJIB 175202565
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Roermond
van 25 september 2014
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats] (Duitsland),
voor wie als gemachtigde optreedt mr. J.L.M. Arets,
wonende te Landgraaf.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. Bij brief van 8 december 2014 zijn aanvullende stukken ingediend.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 september 2015. De gemachtigde van de betrokkene en de betrokkene zijn niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. H. de Ruijter.

Beoordeling

1. De betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat ook in deze zaak geldt dat hij het er in de regel voor mag houden dat het voertuig (met het door de politie gefotografeerde kenteken) waarmee de gedraging is verricht, hetzelfde motorrijtuig is als dat waarvan het kenteken in het kentekenregister staat geregistreerd en dat vaststaat dat de gedraging is verricht met het voertuig waarvan het kenteken op naam van de betrokkene staat geregistreerd. Met hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd, is op geen enkele manier rekening gehouden. De betrokkene heeft erop gewezen dat zij noch een ander met haar voertuig ter plaatse is geweest, zij heeft er ook op gewezen waar zij dan wel op dat moment met haar voertuig was en dat is mede ondertekend door de getuigen [naam] en [naam]. Onder deze omstandigheden aannemen dat de gefotografeerde auto en kenteken bij elkaar horen en de kentekenhouder als overtreder kan worden beschouwd, die zijn onschuld moet bewijzen, hetgeen de betrokkene niet kan, is in strijd met het principe dat een redelijk vermoeden van schuld eerst in redelijkheid kan worden aangenomen wanneer na fotografering verder onderzoek heeft plaatsgevonden dan navragen op wiens naam het gefotografeerde kenteken staat, althans dit is in strijd met ieder redelijkheids- en zorgvuldigheidsprincipe. Het had op de weg van het OM gelegen in deze zaak nader onderzoek te doen, in de vorm van een fotovergelijking of het aanschrijven van de getuigen.

Betrokkene heeft als inwoonster van een EU-land het recht niet het slachtoffer te worden van wetgeving en een opsporingssysteem, waarbij iedere kentekenhouder wiens auto en kenteken gefotografeerd is op voorhand schuldig is, tenzij hij zijn onschuld bewijst. Bij fotografering van de voorzijde van de auto was de zaak probleemloos duidelijk geweest. Zolang schuld niet bewezen is of bewezen kan worden, dient geen straf te volgen.

2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 279,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto) wegen buiten bebouwde kom, met 29 km/h” (Feitcode VF029), welke gedraging zou zijn verricht op 24 juli 2013 om 10:55 uur op de Provincialeweg N280 te Horn met het voertuig met het kenteken [kenteken].

3. De betrokkene heeft aangevoerd dat zij op 24 juli 2013 van 8:30 uur tot 11:30 uur samen was met haar cliënte mw. [naam], met wie zij in haar auto naar de LVR Kliniek is gereden en dat zij aansluitend samen was met haar cliënte mw. [naam], die zij met haar auto heeft opgehaald van een bezoek aan de kliniek. Beide dames hebben dit in het beroepschrift bevestigd.

4. Met betrekking tot de verwijzing van de gemachtigde naar het redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering, overweegt het hof als volgt.

De tweede volzin van artikel 2, eerste lid, WAHV bepaalt dat voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard zijn uitgesloten. Dat houdt in dat de voorschriften van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering inzake de opsporing, vervolging en berechting niet van toepassing zijn, tenzij deze in de WAHV zelf van toepassing worden verklaard. Het hof stelt vast dat de door de gemachtigde van de betrokkene bedoelde strafvorderlijke voorzieningen niet van toepassing zijn verklaard.

5. Ten aanzien van de handhaving van de verkeersregels op Nederlands grondgebied is het Nederlandse recht van toepassing, ongeacht de nationaliteit van de kentekenhouder of bestuurder van het voertuig waarmee de gedraging is verricht. In Nederland geldt dat in zaken die op grond van de WAHV worden afgedaan, de kentekenhouder op de voet van artikel 5 van de WAHV aansprakelijk is voor betaling van de sanctie wegens een gedraging die is begaan met het voertuig waarvan het kenteken op zijn naam staat, indien niet aanstonds is vastgesteld wie de bestuurder daarvan was op het moment van de gedraging.

6. De Hoge Raad heeft de kentekenaansprakelijkheid zoals neergelegd in artikel 5 van de WAHV bij uitspraak van 15 juli 1993 (NJ 1994,177) niet in strijd met het (internationale) recht geoordeeld. Vervolgens is het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bij uitspraak van 19 oktober 2004 (nr. 66273/01) tot hetzelfde oordeel gekomen, inhoudende dat de kentekenaansprakelijkheid van artikel 5 van de WAHV niet in strijd is met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de in dat artikel gewaarborgde onschuldpresumptie.

7. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. De betrokkene hoeft dus niet het bewijs van zijn onschuld te leveren, maar van de betrokkene mag wel worden verwacht dat hij door middel van concrete feiten en omstandigheden een begin van twijfel aan de juistheid van de verklaring van de verbalisant aandraagt.

8. In de regel mag de rechter het ervoor houden dat het motorrijtuig (met het kenteken zoals dat uit de stukken blijkt) waarmee de gedraging is verricht hetzelfde motorrijtuig is als dat waarvan het kenteken staat geregistreerd in het kentekenregister. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat een nader – eventueel aan de politie op te dragen – onderzoek moet worden ingesteld ter beantwoording van de vraag of bedoelde waarneming juist is en zo ja of het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht het juiste kenteken voerde. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien door de betrokkene concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit kan volgen dat het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht een ander is dan dat waarvan het kenteken ten name van de betrokkene staat geregistreerd in het kentekenregister.

9. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

"door mij is waargenomen hetgeen langs elektronische weg is geconstateerd en vastgelegd. (…). De werkelijke snelheid stelde ik vast met m.b.v. (het hof leest: met behulp van) een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid: 134 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 129 km per uur.
Toegestane snelheid: 100 km per uur.
Overschrijding met: 29 km per uur.

(…)

Er werd volstaan met bekeuren op kenteken. (…)
Rijrichting van: Roermond
Rijrichting naar: Baexem.
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 13,3."

10. In het dossier bevinden zich tevens foto’s van de gedraging, waarop het voertuig zichtbaar is, een roze Suzuki Alto, en een uitvergroting van het kenteken van het gefotografeerde voertuig.

11. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde aanvoert geen grond voor twijfel of het voertuig op de foto wel het voertuig van de betrokkene is. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat, blijkens de door de betrokkene overgelegde foto, op haar voertuig, een roze Suzuki Alto, op de achterzijde een cirkel met daarin een ster is aangebracht. Op de foto die van de gedraging is gemaakt, is deze ster eveneens zichtbaar en bevindt deze zich op dezelfde plaats op de achterzijde van het voertuig. Bij die stand van zaken is nader onderzoek niet vereist.

12. Voorts ziet het hof in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de constatering van de verbalisant dat met het voertuig van de betrokkene de maximumsnelheid is overschreden. Derhalve is komen vast te staan dat de gedraging is verricht met het voertuig van de betrokkene.

13. Dat fotograferen van de achterzijde van een voertuig niet is toegelaten en hierover nog nooit is geoordeeld door een rechter, zoals namens de betrokkene is aangevoerd, is niet juist. Deze werkwijze is in Nederland toegestaan en past bij de in artikel 5 van de WAHV neergelegde kentekenaansprakelijkheid. Dat in Duitsland voertuigen slechts aan de voorzijde mogen worden gefotografeerd en sancties slechts aan de bestuurder kunnen worden opgelegd, kan daaraan niet afdoen.

14. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof de sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

15. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, ziet het hof geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten. Het hof zal het kostenverzoek afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *