ECLI:NL:GHARL:2015:65

Er was administratief beroep ingesteld tegen de administratiekosten. De administratiekosten maken onderdeel uit van de aan het geschil ten grondslag liggende beschikking waarbij een sanctie is opgelegd. Dit brengt mee dat de officier van justitie zich terecht bevoegd heeft geacht om van het geschil kennis te nemen en dat ook de kantonrechter, nadat de betrokkene beroep had ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het beroep, zich bevoegd heeft geacht om ter zake een beslissing te nemen. Gelet hierop valt de beslissing van de kantonrechter onder het bereik van artikel 14 van de WAHV en is het hof bevoegd. Het hof heeft in arrest ECLI:NL:GHARL:2013:2333 bepaald dat het hoger beroep ook betrekking kan hebben op een dwangsom of op een verzoek om een proceskostenvergoeding. Echter de mogelijkheid voor het hof om van een dergelijk geschil kennis te nemen is beperkt tot die zaken waarin de opgelegde sanctie na de beslissing van de kantonrechter meer bedraagt dan € 70,-. Dat is hier niet het geval. Dat de sanctie bij de kantonrechter geen onderwerp van geschil is geweest, doet daaraan niet af. Artikel 14, eerste lid, WAHV stelt die eis niet.

Uitspraak

WAHV 200.147.519 EV
5 januari 2015
CJIB zie bijlage

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 30 december 2013
betreffende
[betrokkene]. (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [plaats],
voor welke als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te[plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen het niet tijdig nemen van besluiten door de officier van justitie ongegrond verklaard en geoordeeld dat de officier van justitie geen dwangsommen aan de betrokkene heeft verbeurd. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij schrijven van 30 april 2014 heeft de gemachtigde van de betrokkene een aanvullend hoger beroepschrift ingediend.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. In het verweerschrift heeft de advocaat-generaal betoogd dat tegen de beslissing van de kantonrechter bij het hof geen hoger beroep open staat. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat de sanctiebeslissing geen onderwerp van geschil is geweest bij de kantonrechter. De gemachtigde heeft zich in reactie op het verweerschrift primair op het standpunt gesteld dat niet het hof maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep, nu de bestreden beslissing van de kantonrechter niet kan worden aangemerkt als een beslissing in de zin van de artikelen 14, 26a of 27, zesde lid jo artikel 26a van de WAHV. In het geval het hof zich wel bevoegd zou achten, stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat de betrokkene ontvankelijk is in het hoger beroep. De in artikel 14, eerste lid, WAHV gestelde appelgrens geldt niet, nu de kantonrechter in zijn beslissing in het geheel geen administratieve sanctie heeft opgelegd, zo begrijpt het hof de gemachtigde.

2. Artikel 14, eerste lid, van de WAHV bepaalt dat degene die bij de rechtbank beroep heeft ingesteld alsmede de officier van justitie tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep kunnen instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, tenzij de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan € 70,-.

3. Het hof stelt vast dat de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld tegen de oplegging van administratiekosten. Deze oplegging van administratiekosten maakt onderdeel uit van de aan het geschil ten grondslag liggende beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd. Dit brengt mee dat de officier van justitie zich terecht bevoegd heeft geacht om op de voet van artikel 6 WAHV van het geschil kennis te nemen en dat ook de kantonrechter, nadat de betrokkene beroep had ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het beroep, zich op de voet van artikel 9 WAHV in samenhang met artikel 4:19, eerste lid, van de Awb bevoegd heeft geacht om ter zake een beslissing te nemen. In dit verband wijst het hof op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722. Gelet hierop valt de beslissing van de kantonrechter onder het bereik van artikel 14 van de WAHV en is het hof ter zake bevoegd.

De omstandigheid dat de sanctie bij de kantonrechter geen onderwerp van geschil is geweest, doet daaraan niet af. Artikel 14, eerste lid, WAHV stelt die eis niet. In het bijzonder kan dit niet worden afgeleid uit de zinsnede “tenzij de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer dan € 70,- bedraagt” aangezien het niet de kantonrechter is die een administratieve sanctie oplegt.

4. Het hof heeft bij arrest van 3 april 2013 (WAHV 200.111.879, ECLI:NL:GHARL:2013:2333) bepaald dat, gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Awb het hoger beroep in voorkomende gevallen ook betrekking kan hebben op geschillen met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de dwangsom ingeval van niet-tijdig beslissen op een administratief beroep of op een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding. Echter de mogelijkheid voor het hof om van een dergelijk geschil kennis te nemen is, gelet op de tekst van artikel 14, eerste lid, van de WAHV beperkt tot die zaken waarin de opgelegde sanctie na de beslissing van de kantonrechter meer bedraagt dan € 70,-. Dat is hier niet het geval.

5. Het hiervoor overwogene brengt mee dat het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren. Hetgeen de gemachtigde overigens heeft aangevoerd en/of verzocht zal buiten beschouwing dienen te blijven.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • verklaart zich bevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2015:65”

  1. Onderhavig arrest is nog steeds actueel. Zie punt 6 van het arrest van het hof van 15 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1272.

    6. Artikel 14, eerste lid, WAHV eist niet dat de sanctie onderwerp van geschil is geweest bij de kantonrechter. Aangezien het niet de kantonrechter is die sancties oplegt, moet deze bepaling aldus worden verstaan dat hoger beroep mogelijk is indien, na de beslissing van de kantonrechter, een sanctie van meer dan € 70,- resteert (vergelijk het arrest van het hof van 5 januari 2015, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2015:65). Het hof stelt vast dat aan deze voorwaarde niet is voldaan nu de sanctie, voorafgaand aan de beslissing van de kantonrechter, door de officier van justitie ongedaan is gemaakt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *