ECLI:NL:GHARL:2015:4227

De kantonrechter heeft overwogen dat het voertuig van de betrokkene had geparkeerd in de berm in een gebied waar verkeersbord E1 (een parkeerverbod) gold en dat ingevolge het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens een verkeersbord slechts gelding kan hebben voor de rijbaan (carriageway), zodat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Aangezien de bepalingen uit het Verdrag voor de Wegenverkeerswet 1994 gaan, doet naar het oordeel van de kantonrechter niet ter zake dat in de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat de berm onderdeel van de weg is. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard. Gelet op de stukken in het dossier en op hetgeen de gemachtigde ter terechtzitting van het hof desgevraagd heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk dat de gemachtigde van betrokkene het voertuig volledig in de berm had geparkeerd. Nu de gemachtigde naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van het hof niet heeft betwist dat de auto op de rijbaan stond geparkeerd, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

Uitspraak

WAHV 200.138.173
9 juni 2015
CJIB 164277573

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland
van 25 oktober 2013
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [naam],
wonende te Krommenie.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. Voorts heeft de kantonrechter de officier van justitie veroordeeld in de kosten als bedoeld in artikel 13a van de WAHV, ten behoeve van de betrokkene, tot een bedrag van € 9,20. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van de betrokkene heeft een verweerschrift ingediend en hierin verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 26 mei 2015. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen E.J. Swart.

Beoordeling

Verkeersbord E1 Parkeerverbod
Verkeersbord E1 Parkeerverbod

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 85,- opgelegd ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod (bord E1) (al dan niet in een zone)”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 augustus 2012 om 12.00 uur op de Reyndersweg te Velsen-Noord met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigd. Hiertoe heeft de kantonrechter – zakelijk weergegeven – overwogen dat de gemachtigde het voertuig van de betrokkene had geparkeerd in de berm in een gebied waar verkeersbord E1 gold en dat ingevolge het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens (d.d. 8 november 1968) een verkeersbord slechts gelding kan hebben voor de rijbaan (carriageway), zodat niet is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Aangezien de bepalingen uit het Verdrag voor de Wegenverkeerswet 1994 gaan, doet naar het oordeel van de kantonrechter niet ter zake dat in de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat de berm onderdeel van de weg is.

3. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Ik, verbalisant, zag dat het voertuig geparkeerd stond buiten de aangegeven parkeervakken in een parkeerverbodszonegebied, aangeduid met (bord E1). Ik, verbalisant, heb in de directe omgeving van het voertuig geen personen/activiteiten waargenomen.”

5. Gelet op de stukken in het dossier en op hetgeen de gemachtigde van de betrokkene ter terechtzitting van het hof desgevraagd heeft verklaard, acht het hof niet aannemelijk dat de gemachtigde van betrokkene het voertuig volledig in de berm had geparkeerd. Bij de vaststelling van de feiten is besproken dat de gemachtigde kort na de gedraging op een internetforum heeft opgemerkt dat hij met het voertuig gedeeltelijk op de rijbaan stond geparkeerd. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft medegedeeld dat zij kennis had genomen van die uitlatingen die onmiskenbaar zien op de onderhavige gedraging. Op basis van het verhandelde ter zitting gaat het hof uit van de situatie dat de gemachtigde van betrokkene deels op de rijbaan stond geparkeerd, zodat de vraag of het bord E1 als bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990 ook gelding heeft voor de berm niet ter beantwoording voorligt.

6. Nu de gemachtigde van betrokkene naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van het hof niet heeft betwist dat de auto op de rijbaan stond geparkeerd, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

Derhalve kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven en zal het hof het beroep ongegrond verklaren.

7. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de gemachtigde van betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Dit betreft een kennelijke omissie van de regelgever: bedoeld is onderdeel d. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 53,92 ( [woonplaats] – Leeuwarden v.v.).

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de gemachtigde van betrokkene, ter hoogte van € 53,92.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *