ECLI:NL:GHARL:2015:3210

Betrokkene heeft onder bedreiging en mishandeling voor een viertal personen voertuigen op zijn naam laten zetten en hij had grote angst om met de kwestie in de openbaarheid te treden. Het heeft de gemachtigde en de begeleider van betrokkene dan ook veel overtuigingskracht gekost om de betrokkene zover te krijgen dat hij aangifte tegen de personen in kwestie heeft gedaan en beroep tegen de beschikkingen heeft ingesteld. Ter onderbouwing is een afschrift van de aangifte overgelegd, alsmede stukken waaruit blijkt dat er een politieonderzoek loopt naar deze personen en dat twee van deze personen na een achtervolging door de politie werden aangetroffen in een op naam van de betrokkene geregistreerd voertuig. Hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd acht het hof aannemelijk. De advocaat-generaal heeft de aannemelijkheid daarvan ook niet in twijfel getrokken. Gelet op hetgeen is aangevoerd kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is dus verschoonbaar.

Uitspraak

WAHV 200.154.557
1 mei 2015
CJIB 172343408

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant
van 16 juni 2014
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [naam],
advocaat te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 17 april 2015. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. K. van den Berg.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat de officier van justitie daarom terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.

3. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking op 5 juni 2013 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 17 juli 2013. Het beroepschrift is gedateerd 30 augustus 2013 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 3 september 2013 bij de CVOM ingekomen. Het beroep is dus niet tijdig ingesteld.

4. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Daartoe voert hij aan dat de betrokkene onder bedreiging en mishandeling voor een viertal personen voertuigen op zijn naam heeft laten zetten en grote angst had om met de kwestie in de openbaarheid te treden. Het heeft de gemachtigde en de begeleider van betrokkene dan ook veel overtuigingskracht gekost om de betrokkene zover te krijgen dat hij aangifte tegen de personen in kwestie heeft gedaan en beroep tegen de beschikkingen heeft ingesteld. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde een afschrift van de aangifte overgelegd, alsmede stukken waaruit blijkt dat er een politieonderzoek loopt naar deze personen en dat twee van deze personen na een achtervolging door de politie werden aangetroffen in een op naam van de betrokkene geregistreerd voertuig.

5. Hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd acht het hof aannemelijk. De advocaat-generaal heeft de aannemelijkheid daarvan ook niet in twijfel getrokken. Gelet op hetgeen is aangevoerd kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De termijnoverschrijding is dus verschoonbaar. Dat brengt mee dat het hof de bestreden beslissing alsmede, met gegrond verklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie zal vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking dient te beoordelen.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 390,- opgelegd ter zake van “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden” (feitcode A915), welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 12 april 2013 met het voertuig met het kenteken [kenteken].

7. Gelet op hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd, acht het hof aannemelijk dat de betrokkene redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen dat het voertuig op zijn naam werd geregistreerd. Dat brengt mee dat de gedraging is verricht onder omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken. Het hof acht het beroep gegrond en zal de inleidende beschikking daarom vernietigen.

8. Nu de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, komen de kosten van de door de gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van beroepschriften bij de officier van justitie, bij de kantonrechter en bij het hof in hoger beroep, het geven van een nadere toelichting in hoger beroep en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en van het hof in hoger beroep. Ingevolge de Bijlage bij het toepasselijke Besluit proceskosten bestuursrecht wordt aan het indienen van de beroepschriften telkens 1 punt toegekend, aan het verschijnen ter zitting eveneens 1 punt en aan een nadere toelichting 0,5 punt. De waarde per punt bedraagt € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Derhalve zal het hof de advocaat-generaal veroordelen tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 1.339,25 (5,5 x 0,5 x 487).

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 27 september 2013, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 172343408 de administratieve sanctie is opgelegd;
  • bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1339,25.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *