ECLI:NL:GHARL:2015:2999

De betrokkene heeft aangevoerd dat hij met het CJIB in onderhandeling was voor het aangaan van een betalingsregeling en dat het instellen van beroep hem tijdens dat overleg niet opportuun leek. Niet valt in te zien waarom de betrokkene vanwege het overleg met het CJIB niet in staat zou zijn geweest tijdig beroep in te stellen bij de officier van justitie. Hij had er immers voor kunnen kiezen om ter voorkoming van een termijnoverschrijding ongemotiveerd beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking om in een latere fase eventueel de gronden van zijn beroep aan te vullen. Hetgeen de betrokkene aanvoert leidt daarom niet tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in deze zaken in verzuim is geweest.

Uitspraak

WAHV 200.140.728, 200.140.736, 200.140.737 en 200.140.738
24 april 2015
CJIB 155774587, 162588337, 158353725 en 160395321

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op de hoger beroepen tegen de beslissingen
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 28 november 2013
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beroepen van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissingen ongegrond verklaard. De beslissingen van de kantonrechter zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij de beroepschriften is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld verweerschriften in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 10 april 2015. De betrokkene is niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen E.J. Swart.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft in alle zaken geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat de officier van justitie daarom terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.

3. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking in de zaak met WAHV-nummer 200.140.728 en cjib-nummer 155774587 op 10 oktober 2011 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 21 november 2011.

4. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking in de zaak met WAHV-nummer 200.140.736 en cjib-nummer 162588337 op 9 juli 2011 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 20 augustus 2011.

5. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking in de zaak met WAHV-nummer 200.140.737 en cjib-nummer 158353725 op 11 januari 2012 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 22 februari 2012.

6. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking in de zaak met WAHV-nummer 200.140.738 en cjib-nummer 160395321 op 7 april 2012 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve, met toepassing van de Algemene termijnenwet, op 21 mei 2012.

7. In alle zaken is het beroepschrift gedateerd 12 februari 2013 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 13 februari 2013 bij de CVOM ingekomen. Het beroep is dus in alle zaken niet tijdig ingesteld.

8. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

9. De betrokkene heeft in dit verband aangevoerd dat hij met het CJIB in onderhandeling was voor het aangaan van een betalingsregeling en dat het instellen van beroep hem tijdens dat overleg niet opportuun leek.

10. In alle zaken bevindt zich bij de stukken van het geding een brief van de betrokkene aan de officier van justitie d.d. 15 maart 2013. Hierin schrijft de betrokkene dat hij vanaf maart 2012 heeft geprobeerd om met het CJIB tot een betalingsregeling te komen.

11. Niet valt in te zien waarom de betrokkene vanwege het overleg met het CJIB niet in staat zou zijn geweest tijdig beroep in te stellen bij de officier van justitie. Hij had er immers voor kunnen kiezen om ter voorkoming van een termijnoverschrijding ongemotiveerd beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking om in een latere fase eventueel de gronden van zijn beroep aan te vullen.

12. Hetgeen de betrokkene aanvoert leidt daarom niet tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in deze zaken in verzuim is geweest. De officier van justitie heeft derhalve terecht die beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

13. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter de beroepen tegen de beslissingen van de officier van justitie terecht ongegrond heeft verklaard. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter derhalve bevestigen. Het hof kan daarom – net als de officier van justitie en de kantonrechter – niet toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sancties.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissingen van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

2 gedachten over “ECLI:NL:GHARL:2015:2999”

  1. “11. Niet valt in te zien waarom de betrokkene vanwege het overleg met het CJIB niet in staat zou zijn geweest tijdig beroep in te stellen bij de officier van justitie. Hij had er immers voor kunnen kiezen om ter voorkoming van een termijnoverschrijding ongemotiveerd beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking om in een latere fase eventueel de gronden van zijn beroep aan te vullen.”

    Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht
    
    Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

    Memorie van toelichting:
    Voor het slagen van een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding geldt primair als eis dat de indiener van het bezwaarschrift of beroepschrift ten genoege van het betrokken orgaan diende aan te tonen dat hij het geschrift had ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.

    Jurisprudentie heeft bepaalt dat het beroep op verschoonbare termijnoverschrijding ook zal moeten slagen als de indiener stelt dat de termijnoverschrijding aan een hem niet toe te rekenen omstandigheid is te wijten en omtrent de onjuistheid van die stelling geen zekerheid is verkregen. Hier is dus geen sprake van een (positief) aantonen door de indiener, maar van een (negatief) niet met zekerheid kunnen vaststellen (door het orgaan waarbij de procedure aanhangig is) dat de stelling van de indiener onjuist is.

    Artikel 6:11 Awb ziet niet alleen op gevallen waarin de betrokkene ten gevolge van bijzondere omstandigheden die hem persoonlijk betreffen, niet tijdig van zijn rechtsmiddel gebruik heeft kunnen maken. Zo’n geval doet zich bij voorbeeld voor indien de belanghebbende door een ernstig ongeval enige tijd is uitgeschakeld of wanneer de geestestoestand van betrokkene dusdanig is dat hij niet in staat geacht kan worden zijn belangen voldoende te behartigen.
    Daarnaast heeft dit artikel ook betekenis voor gevallen waarin de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel is gaan lopen zonder dat de belanghebbende voldoende op de hoogte is gesteld van zijn bevoegdheden op dat punt. Dit kan zich op verschillende manieren voordoen. Bijvoorbeeld wanneer de betrokkene onjuist is ingelicht over zijn beroepsmogelijkheden. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, memorie van toelichting, blz. 130, 131 en 132)

  2. “2. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.”

    Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb):
    
    De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

    Memorie van toelichting:
    In de eerste plaats leert de praktijk dat een termijn van 30 dagen/een maand in veel gevallen aan de korte kant is. In gevallen dat men alvorens een verantwoorde beslissing te nemen omtrent de aanwending van een rechtsmiddel eerst een deskundige moet raadplegen, geraakt men gemakkelijk in grote tijdnood. Dat leidt ertoe dat veelvuldig zogenaamde pro forma bezwaar- of beroepschriften worden ingediend, die ertoe strekken de aanwending van het rechtsmiddel veilig te stelen, maar feitelijk nog geen onderbouwde stellingen inhouden. De eigenlijke bezwaar-of beroepschriften komen dan later, hetgeen leidt tot enige verlenging van of extra handelingen in de procedure. In de huidige tijd is het, anders dan in het verleden, niet ongebruikelijk dat men voor periodes van drie of vier weken of zelfs langer met vakantie gaat. Bij bezwaar-en beroepstermijnen van een maand kan daar grote tijdnood uit voortvloeien. Bij een wat langere termijnstelling zullen de problemen sterk afnemen. Op belangrijke rechtsgebieden komen dan ook langere termijnen voor, zoals de genoemde termijn van twee maanden in het belastingrecht. Ook het E.E.G.-recht kent een termijn van twee maanden. In Frankrijk geldt eveneens in het algemeen een termijn van twee maanden. Dat aan een wat langere termijn dan 30 dagen behoefte bestaat, en dat zo’n langere termijn van de kant van het bestuur veelal ook geen bezwaar ontmoet, zou men kunnen concluderen uit het eerder genoemde onderzoek naar de Arob-bezwaarschriftprocedure. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, Memorie van toelichting, blz. 125)

    Artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb):
    
    1 De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 
    
    2 De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit waartegen alleen door een of meer bepaalde belanghebbenden administratief beroep kon worden ingesteld, vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beroepstermijn ongebruikt is verstreken. 
    
    3 De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat aan goedkeuring is onderworpen, vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit, inhoudende de goedkeuring van dat besluit, op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. 
    
    4 De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.

    Memorie van toelichting:
    Dit artikel legt vast welke dag als eerste dag van de termijn geldt. Ook op dit punt lijkt uniformering gewenst en zonder bezwaren mogelijk. Het ligt voor de hand de aanvang van de termijn te koppelen aan de bekendmaking van het besluit. Nadat die is geschied, kunnen de belang-hebbenden op de hoogte zijn en kan dus de termijn gaan lopen. Aldus de bepaling van het eerste lid. De eerste dag van de termijn is de dag na die van de bekendmaking.
    De bekendmaking moet uiteraard op de voorgeschreven wijze zijn geschied. In principe regelen de artikelen 3.5.2 en 3.5.3 dit voor besluiten. Deze artikelen bepalen dat een besluit wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking ervan aan de belanghebbende, dan wel, in bepaalde gevallen, door openbare kennisgeving in een dag-, nieuws-of huis-aan-huisblad of op andere geschikte wijze.
    Geschiedt de bekendmaking door toezending aan de belanghebbende, dan zal de dag na die van de verzending dus de eerste dag van de termijn zijn. Doorgaans is dit ook de dag waarop hij het besluit per post ontvangt. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, Memorie van toelichting, blz. 126)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *