ECLI:NL:GHARL:2015:195

Houdt een beroepschrift slechts een enkele ontkenning in dat een gedraging is begaan, dan is dat een grond en bestaat geen verplichting om op grond van artikel 6:5 juncto 6:6 Awb de indiener in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven. Die verplichting bestaat wel indien een beroepschrift inhoudt dat pro forma beroep wordt ingesteld en dat het beroep nader zal worden gemotiveerd (al dan niet na ontvangst van gevraagde stukken), óók als in dat pro forma beroepschrift iets wordt aangevoerd dat op zichzelf beschouwd ook als een grond kan worden beschouwd, zoals in dit geval dat de gedraging (impliciet en expliciet) wordt ontkend. De door de kantonrechter gegeven motivering kan diens beslissing om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen niet dragen. In deze zaak leidt dat tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. Het hof houdt de zaak aan om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen aannemelijk te maken dat de CVOM de verzuimbrief heeft verzonden.

Uitspraak

WAHV 200.138.250
12 januari 2015
CJIB 159263824

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Limburg
van 7 november 2013
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [plaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en heeft met gegrondverklaring van het beroep de beslissing van de officier van justitie vernietigd. Vervolgens heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking beoordeeld en dat beroep ongegrond verklaard. De kantonrechter heeft het kostenverzoek dat door de gemachtigde is gedaan afgewezen, omdat – kort gezegd – de inhoud en omvang van de door de gemachtigde verrichte handelingen zo gering zijn geweest dat het inschakelen van een professioneel gemachtigde door de betrokkene in het geheel overbodig was.

2. De vernietiging van de beslissing van de officier van justitie is door de kantonrechter als volgt gemotiveerd:

"De kantonrechter begrijpt uit het arrest van het gerechtshof Leeuwarden met nummer WAHV 200.104.727 d.d. 8 oktober 2012 (het hof merkt op: niet gepubliceerd arrest), dat, indien de gedraging wordt ontkend/betwist door betrokkene er geen verdere (aanvullende) beroepsgronden meer hoeven te worden aangevoerd en betrokkene aldus niet meer in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) beroepsgronden in te dienen."

De gemachtigde van de betrokkene had aangevoerd, dat een verzoek om de gronden van het beroep aan te voeren hem nimmer had bereikt en op dit – door hem overgelegde – arrest een beroep gedaan om aan te geven dat in het onderhavige geval ook geen aanleiding bestond om de gronden van het beroep op te vragen.

3. Bij beslissing van 6 augustus 2012 heeft de officier van justitie het tegen de inleidende beschikking ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzuim om de gronden van het beroep op te geven niet binnen de daartoe gestelde termijn is hersteld.

4. Het door de gemachtigde aangehaalde arrest van 8 oktober 2012 kenmerkt zich door de volgende gegevens. Het beroepschrift tegen de inleidende beschikking bevatte slechts als grond van het beroep dat de gedraging door de betrokkene werd ontkend. Nog vóór de beslissing van de officier van justitie op het beroep werd door de gemachtigde daartegen beroep ingesteld onder vermelding van aanvullende gronden. De brief met de aanvullende gronden is aangemerkt – conform het daarin gestelde – als beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Door de gemachtigde werd gesteld dat de beslissing van de officier van justitie diende te worden vernietigd, omdat de gemachtigde niet in de gelegenheid was gesteld de gronden van het beroep op te geven. In dat kader heeft het hof overwogen, dat ook de loutere ontkenning van de gedraging te beschouwen is als een grond en dat voor de officier van justitie geen verplichting bestond om op grond van artikel 6:5 juncto artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid te stellen om binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven, terwijl de nader aangevoerde gronden in de procedure bij de kantonrechter aan de orde zijn gekomen.

5. Met de gronden van het beroep worden de redenen bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen. Als zodanig is ook de enkele ontkenning dat de gedraging is begaan een grond, zij het in het algemeen niet licht leidend tot vernietiging van de inleidende beschikking. In zoverre is stelling van de gemachtigde dat het beroepschrift tegen de inleidende beschikking een grond bevat juist. Hij verbindt daaraan de conclusie dat de officier van justitie ten onrechte wegens het verzuim om de gronden van het beroep op te geven het ingestelde beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De kantonrechter heeft de gemachtigde van de betrokkene daarin gevolgd. Het hof acht dit onjuist op grond van het navolgende.

6. Het hof stelt – voor zover van belang – het volgende vast.

Bij beschikking van 14 februari 2012 is aan de betrokkene een sanctie opgelegd, waarna de gemachtigde van de betrokkene bij faxbericht van 17 februari 2012 beroep heeft ingesteld. In het beroepschrift geeft de gemachtigde – zakelijk weergegeven – op dat hij namens de betrokkene pro forma beroep instelt, dat de verweten gedraging (impliciet en expliciet) wordt ontkend en dat hij de gronden van het beroep op een later moment zal aanvoeren.

7. Indien een betrokkene of diens gemachtigde aangeeft dat het gaat om een pro forma ingesteld beroep en dat het beroep nader zal worden gemotiveerd (al dan niet na ontvangst van gevraagde stukken) dient de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid te worden gesteld de gronden van het beroep op te geven binnen een daartoe gestelde termijn. In het geval niet is voldaan aan dit vereiste kan op grond van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Daaraan kan niet afdoen, dat in het als pro forma gekenschetste beroepschrift iets wordt aangevoerd, dat op zichzelf beschouwd ook als een grond kan worden beschouwd.

8. Bij brief van 2 mei 2012, gericht aan de gemachtigde op het adres [straat en plaats], stelt de officier van justitie vast dat de gronden van het beroep ontbreken en dat de gemachtigde van de betrokkene in verzuim is. Vervolgens stelt de officier van justitie de gemachtigde in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van de brief en wijst de op de gevolgen van het niet (tijdig) verstrekken van de gronden van het beroep.

Niet blijkt dat de gemachtigde op voormeld schrijven d.d. 2 mei 2012 heeft gereageerd.

Bij beslissing van 6 augustus 2012 heeft de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

9. Het kenmerkende verschil in deze zaak met het in de motivering van de kantonrechter genoemde arrest is, dat in die zaak kennelijk door de officier van justitie is verzuimd de gemachtigde van de betrokkene in de gelegenheid te stellen om (nadere) gronden in te dienen, zodat het in artikel 6:6 Awb genoemde gevolg ook niet kon intreden. Gelet hierop kan de door de kantonrechter gegeven motivering diens beslissing om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen niet dragen.

De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden vernietigd.

10. De gemachtigde van de betrokkene heeft in zijn beroep bij de kantonrechter echter de ontvangst van de brief van 2 mei 2012 betwist.

11. Volgens vaste administratiefrechtelijke jurisprudentie dient het bestuursorgaan, in geval van verzending van besluiten of rechtens van belang zijnde documenten, aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst dan is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan aannemelijk te maken.

12. Het hof heeft in het arrest van 28 januari 2013 (WAHV 200.113.192, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1110) overwogen dat, gelet op de in dat arrest beschreven vaste werkwijze van de CVOM bij de verzending van zekerheidsbrieven de kans op fouten daarbij nagenoeg is uitgesloten. Hier betreft het echter een brief waarvan niet op voorhand duidelijk is of deze op dezelfde wijze als de zekerheidsbrieven wordt verzonden. Het hof acht zich derhalve in onvoldoende mate voorgelicht. Het zal daarom de behandeling van de zaak aanhouden om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen aannemelijk te maken dat de brief van 13 juni 2012 is verzonden.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, beslist het hof als volgt.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • draagt de advocaat-generaal op om binnen vier weken na dagtekening van dit arrest zijn standpunt schriftelijk aan het hof kenbaar te maken;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

2 gedachten over “ECLI:NL:GHARL:2015:195”

  1. De volgende opmerking gaat over punt 7 van dit arrest:

    7. Indien een betrokkene of diens gemachtigde aangeeft dat het gaat om een pro forma ingesteld beroep en dat het beroep nader zal worden gemotiveerd (al dan niet na ontvangst van gevraagde stukken) dient de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid te worden gesteld de gronden van het beroep op te geven binnen een daartoe gestelde termijn. In het geval niet is voldaan aan dit vereiste kan op grond van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Daaraan kan niet afdoen, dat in het als pro forma gekenschetste beroepschrift iets wordt aangevoerd, dat op zichzelf beschouwd ook als een grond kan worden beschouwd.

    Punt 9 van het arrest van het Hof van 22 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10365, verwijst op dit onderwerp naar onderhavig arrest.

    9. Slechts indien een beroepschrift geen gronden bevat, kan dit leiden tot niet-ontvankelijkverklaring op de voet van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb. In zoverre oordeelt het hof thans anders dan in zijn arrest van 12 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:195, ov. 7. Het betreft hier een bevoegdheid van degene die op het beroep beslist en niet een verplichting (vgl. het arrest van het hof van 19 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6694, ov. 3 en 6). Indien degene die op het beroepschrift beslist van deze bevoegdheid gebruik wil maken, moet hij de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Dat moet een redelijke termijn zijn. Verder moet de indiener van het beroepschrift worden gewezen op de mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring indien het verzuim niet (tijdig) wordt hersteld.

    De enkele stelling in een (pro forma) beroepschrift dat de gedraging wordt betwist, is thans voldoende om te kunnen spreken van een grond. Bevat een (pro forma) beroepschrift gronden van het beroep en is niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud de wens geuit om een mogelijkheid of termijn voor aanvulling van gronden, dan dienen de officier van justitie en de kantonrechter de aangevoerde gronden te beoordelen met inachtneming van de voor hen geldende regels omtrent het horen respectievelijk het houden van een zitting (Punt 14 van het arrest van het Hof van 22 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10365).

  2. Punt 4 van dit arrest:

    ... In dat kader heeft het hof overwogen, dat ook de loutere ontkenning van de gedraging te beschouwen is als een grond en dat voor de officier van justitie geen verplichting bestond om op grond van artikel 6:5 juncto artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid te stellen om binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven, terwijl de nader aangevoerde gronden in de procedure bij de kantonrechter aan de orde zijn gekomen.

    Punt 8 van het arrest van het Hof van 22 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10365, verwijst op dit onderwerp naar onderhavig arrest.

    8. Met de gronden van het beroep worden de redenen bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen (vgl. het arrest van het hof van 12 januari 2015, gepubliceerd op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL2015:195, ov. 5). Het gaat hier om een minimum-eis, waaraan in WAHV-zaken al snel is voldaan. Een -ook voorlopige- indicatie waarom de indiener van het beroepschrift zich niet met de aangevochten beslissing kan verenigen, is voldoende om te kunnen spreken van een grond. Als zodanige gronden zijn bijvoorbeeld te beschouwen de (enkele) ontkenning dat de gedraging is begaan, de (enkele) ontkenning van de verwijtbaarheid van de gedraging, de (enkele) ontkenning van de juiste werking van de meetmiddelen of de (enkele) betwisting van de bevoegdheid van de verbalisant, ook indien deze gronden -al dan niet bij gebreke van nog opgevraagde informatie- niet van enige onderbouwing zijn voorzien of indien is aangegeven dat deze op voorhand zijn aangevoerd en/of wordt aangekondigd dat de gronden zullen worden aangevuld al dan niet na ontvangst van gevraagde informatie. In zoverre oordeelt het hof thans anders dan in zijn arresten van 24 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5945, ov. 4, en van 17 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8247, ov. 7.

    De enkele stelling in dat de gedraging wordt betwist, is thans voldoende om te kunnen spreken van een grond. Hetzelfde geldt voor een (pro forma) beroepschrift.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *