ECLI:NL:GHARL:2015:1220

De zekerheidstelling als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WAHV is vereist met het oog op de ontvankelijkheid van het bij de kantonrechter ingestelde beroep. Volgens vaste jurisprudentie mag, om de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep ten overstaan van de kantonrechter aan de orde te kunnen stellen, van een betrokkene worden verwacht dat in de procedure bij de kantonrechter een draagkrachtverweer wordt gevoerd. Dat houdt in dat hetzij in het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie, hetzij in reactie op (één van) de hem toegezonden brieven omtrent de verplichting tot zekerheidstelling en vóór het einde van de voor het stellen van zekerheid geldende termijn, wordt aangevoerd dat van de betrokkene in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag. In zodanig geval dient de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een zitting teneinde hem omtrent zijn draagkracht te horen (ECLI:NL:GHARL:2014:1139). Naar het oordeel van het hof is dit niet in strijd met het uit artikel 6 EVRM voortvloeiend recht om een zaak ten overstaan van een rechter te kunnen bepleiten.

Uitspraak

WAHV 200.151.552
20 februari 2015
CJIB 169195694

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 19 juni 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats],
voor wie thans als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

Bij brief d.d. 14 juli 2014 heeft de gemachtigde van de betrokkene de gronden van het beroep aangevuld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Bij brief d.d. 23 september 2014 verzoekt de gemachtigde van de betrokkene de zaken van de betrokkene op één zittingsdatum te behandelen.

Bij brief d.d. 30 januari 2015 heeft [gemachtigde] zich als gemachtigde gesteld en de gronden van het beroep nader aangevuld.

De zaak is behandeld ter zitting van 6 februari 2015. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde [gemachtigde] voornoemd. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen E.J. Swart.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen zekerheid is gesteld. Hij heeft daartoe onder andere overwogen dat de betrokkene geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat, hoewel niet op de voorgeschreven wijze zekerheid is gesteld, niet-ontvankelijkheid achterwege moet blijven.

Het hof stelt vast dat de kantonrechter de zaak niet op een zitting heeft behandeld alvorens zijn beslissing te nemen.

2. De betrokkene bestrijdt niet dat geen zekerheid is gesteld, maar stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter niet tot zijn beslissing had kunnen komen zonder een zitting te houden en dat zijn beslissing daarom niet in stand kan blijven. Daartoe worden drie argumenten aangevoerd.

a. Door zonder zitting te houden een in artikel 13 van de WAHV genoemde eindbeslissing te geven, heeft de kantonrechter gehandeld in strijd met artikel 12 van de WAHV en het in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde aanwezigheidsrecht van de betrokkene ten aanzien van belangrijke beslissingen in zijn zaak. Namens de betrokkene wordt daarbij gewezen op de uitspraken van het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaken Hermi – Italië (EHRM, 18-10-2006, nr. 18114/02, paragrafen 58 en 59) en Sejdovic -Italië (EHRM, 1-3-2006, nr. 56581/00, paragrafen 81 en 84).

b. De wettelijke regeling waarbij zekerheidstelling wordt verlangd staat op gespannen voet met het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht op vrije toegang tot de rechter. Slechts zo lang de rechter zich in aanwezigheid van de betrokkene kan vergewissen dat de toegang tot de rechter niet om financiële redenen is geblokkeerd, dat wil zeggen, de betrokkene zekerheid kon stellen maar dat niet deed, is aan het EVRM voldaan. In de onderhavige zaak is geen sprake geweest van een met de noodzakelijke waarborgen omgeven proces.

c. Bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, is het vaste praktijk dat er altijd een zitting wordt gepland. Op die zitting komt de ontvankelijkheid ter sprake en het vóór de zitting toezenden van stukken is daarbij niet noodzakelijk. De betrokkene mocht erop vertrouwen dat hij conform die vaste praktijk zou worden opgeroepen voor een zitting. Een wijziging van die vaste praktijk is in ieder geval niet gecommuniceerd. De betrokkene is slechts geïnformeerd dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Op die zitting had kunnen worden aangevoerd dat de betrokkene zich al jaren in een dusdanige financiële situatie bevindt dat hij niet in staat was de zekerheidstelling te voldoen. Hij is al langere tijd thuiswonend, heeft geen werk en per maart 2014 is zijn studiefinanciering stopgezet. De gemachtigde wijst hierbij nog op de uitspraak van het hof van 27 april 2005, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHLEE:2005:AU1378.

3. De gemachtigde van de advocaat-generaal heeft zich ter zitting van het hof op het standpunt gesteld dat de door de gemachtigde van de betrokkene aangevoerde argumenten haar geen aanleiding geven om de in het verweerschrift verwoorde visie van het openbaar ministerie te herzien en heeft het standpunt gehandhaafd dat de beslissing van de kantonrechter voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Met betrekking tot de door de betrokkene onder a en b genoemde argumenten overweegt het hof het volgende.

5. Artikel 11, derde lid van de WAHV bepaalt onder meer dat indien zekerheidstelling binnen de aldaar genoemde termijn achterwege blijft, het beroep van de betrokkene door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. In het vierde lid van het artikel is bepaald dat, indien zekerheid is gesteld, alle op het beroepschrift betrekking hebbende stukken ter griffie van de rechtbank worden neergelegd en dat daarvan door de griffier van de rechtbank mededeling wordt gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. Het eerste lid van artikel 13 regelt wat de beslissing van de kantonrechter moet inhouden indien hij bevindt onder meer dat het beroep ontvankelijk is.

Uit het hiervoor weergegeven systeem van de WAHV volgt dat de vraag of het ingestelde beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ontvankelijk is, door de kantonrechter moet worden beoordeeld mede naar aanleiding van een onderzoek op een openbare zitting, behalve indien de niet-ontvankelijkheid voortvloeit uit het niet tijdig stellen van zekerheid. De wetsgeschiedenis dwingt niet tot een ander oordeel (vgl. HR VR 1992, 68; LJN AC1855, ECLI:NL:HR:1992:AC1855, niet gepubliceerd).

6. Het is de rechter niet toegestaan de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet te beoordelen (artikel 11 Wet algemene bepalingen). Hij kan slechts toetsen of een geldend wettelijk voorschrift wegens strijd met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties buiten toepassing moet blijven (artikel 94 van de Grondwet).

7. Artikel 6, eerste lid, van het EVRM luidt voor zover hier van belang:

"Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingesteld vervolging, heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld."

8. Aan artikel 6 van het EVRM kan onder omstandigheden ook het recht van een betrokkene om ten overstaan van de rechter zijn zaak te kunnen bepleiten, worden ontleend. Dat recht is echter niet absoluut en mag beperkt worden. Voorts kan een inspanning worden verlangd van degene die zijn aanspraak daartoe geldend wil maken. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schending van artikel 6 EVRM dient de procedure in haar geheel te worden beoordeeld.

9. De zekerheidstelling als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WAHV is vereist met het oog op de ontvankelijkheid van het bij de kantonrechter ingestelde beroep. Volgens vaste jurisprudentie van dit hof mag, teneinde de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep ten overstaan van de kantonrechter aan de orde te kunnen stellen, van een betrokkene worden verwacht dat in de procedure bij de kantonrechter een draagkrachtverweer wordt gevoerd. Dat houdt in dat hetzij in het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie, hetzij in reactie op (één van) de hem toegezonden brieven omtrent de verplichting tot zekerheidstelling en vóór het einde van de voor het stellen van zekerheid geldende termijn, wordt aangevoerd dat van de betrokkene in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij zekerheid stelt tot het totale van hem verlangde bedrag. In zodanig geval dient de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een zitting teneinde hem omtrent zijn draagkracht te horen (vgl. Hof Arnhem – Leeuwarden, 17 februari 2014, WAHV 200.133.496, ECLI:NL:GHARL:2014:1139).

10. Naar het oordeel van het hof is het uitgangspunt dat voor het horen op een zitting bij de kantonrechter, in geval niet (tijdig of volledig) zekerheid is gesteld, slechts aanleiding bestaat indien de betrokkene in de procedure bij de kantonrechter een draagkrachtverweer heeft gevoerd, niet in strijd met het uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiend recht van een betrokkene om zijn zaak ten overstaan van een rechter te kunnen bepleiten. Het hof betrekt daarbij ook dat een betrokkene hoger beroep kan instellen tegen een beslissing van de kantonrechter waarbij -zonder zitting- het beroep van een betrokkene wegens het niet (tijdig of volledig) stellen van zekerheid niet-ontvankelijk is verklaard en een betrokkene alsdan, indien hij daarom verzoekt, wordt uitgenodigd voor een zitting van het hof.

11. Uit het dossier blijkt het volgende. Bij brief van 13 mei 2013 is de betrokkene gewezen op de wettelijke verplichting om vóór de behandeling van het beroepschrift door de kantonrechter zekerheid te stellen voor het bedrag van de sanctie en de administratiekosten. Bij brief van 30 mei 2013 is de betrokkene opnieuw in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen. Bij brief van 30 september 2013, gericht aan zowel de betrokkene als zijn toenmalige (professionele) gemachtigde, is de betrokkene opnieuw gewezen op de wettelijke verplichting om vóór de behandeling van het beroepschrift door de kantonrechter zekerheid te stellen voor het bedrag van de sanctie en de administratiekosten. Bij brief van 8 januari 2014 gericht aan de toenmalig gemachtigde van de betrokkene, is de betrokkene opnieuw in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen. In al deze brieven is vermeld dat wanneer de betaling niet binnen de termijn van twee weken is voldaan, de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren en dat dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld. Op geen van deze brieven heeft de betrokkene of zijn gemachtigde gereageerd. De brieven zijn verzonden naar het adres van de betrokkene en de toenmalig gemachtigde zoals vermeld in het beroepschrift aan de kantonrechter en zijn niet als onbestelbaar geretourneerd.

12. In verband met het namens de betrokkene onder c. aangevoerde argument dat hij slechts is geïnformeerd dat de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, merkt het hof het volgende op. Met de in de zekerheidsbrieven gebruikte tekst is op verkorte wijze het bepaalde in artikel 11, derde lid, laatste volzin, van de WAHV weergegeven (zie ov. 5). De betrokkene kon aan de zekerheidsbrieven niet de verwachting ontlenen dat het niet (tijdig) stellen van zekerheid in zijn geval tot een ander gevolg dan niet-ontvankelijkheid zou leiden.

13. De betrokkene heeft binnen de daartoe gestelde termijn niet voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling en evenmin is in reactie op de aan hem en de gemachtigde toegezonden brieven aangegeven dat de betrokkene wegens onvoldoende financiële draagkracht geen zekerheid kon stellen. Dat is een andere situatie dan in het door de gemachtigde aangehaalde arrest van het hof.

14. Het is naar het oordeel van het hof – behoudens in geval van bijzondere omstandigheden, waarvan in deze zaak niet is gebleken – in strijd met de beginselen van een goede procesorde dat in hoger beroep voor het eerst wordt aangevoerd, dat zekerheidstelling niet kan plaatsvinden op grond van te geringe draagkracht. Immers zeker van een professionele gemachtigde mag worden verwacht dat op de toegezonden brieven wordt gereageerd door ofwel de gevraagde zekerheidstelling te verschaffen ofwel uiteen te zetten, waarom men hiertoe niet kan overgaan.

15. Met betrekking tot het door de betrokkene onder c genoemde argument dat het bij de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht vaste praktijk is dat elke WAHV-zaak op een zitting wordt behandeld alvorens de kantonrechter op het beroep beslist, overweegt het hof dat deze stelling niet is onderbouwd en aannemelijk is geworden. Het hof verwerpt daarom dat argument. Dat brengt mee dat de door de gemachtigde aan dit argument verbonden consequenties verder onbesproken kunnen blijven.

16. Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat de kantonrechter, nu niet gebleken is dat het niet voldoen aan de verplichting tot zekerheidstelling verschoonbaar is, het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de kantonrechter tot die beslissing heeft kunnen komen zonder de betrokkene in de gelegenheid te stellen om op een zitting te worden gehoord. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Dit houdt in dat het hof, net als de kantonrechter, niet kan toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *