ECLI:NL:GHARL:2015:1132

De gemachtigde is niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep van argumenten te voorzien, nu de gemachtigde ondanks zijn verzoek hiertoe niet een nadere termijn is gegeven om zijn beroep aan te vullen en de officier van justitie reeds voor het toezenden van het zaakoverzicht een beslissing op het beroep van de gemachtigde heeft genomen. De officier van justitie heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep had niet kennelijk ongegrond verklaard kunnen worden, nu de gronden van het administratief beroep nog niet (volledig) bekend waren.
Er is verzocht de beschikking te vernietigen wegens termijnoverschrijding en om een dwangsom vast te stellen. Het beroepschrift en de overige zaakstukken zijn niet binnen de daarvoor gestelde termijn toegezonden aan de rechtbank. Genoemde termijn betreft echter een termijn van orde, waaraan de wet niet het gevolg verbindt dat de sanctie dient te worden vernietigd. De op de officier van justitie rustende verplichting om een dossier door te sturen naar de rechtbank, is niet als een beschikking op aanvraag aan te merken en hierdoor kan er geen dwangsom worden opgelegd.

Uitspraak

WAHV 200.136.754
17 februari 2015
CJIB 163897438

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland
van 1 oktober 2013
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
kantoorhoudende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 141,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 17 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 11 augustus 2012 om 13.56 uur op de Julianalaan te Gasselte met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter is voorbijgegaan aan het feit dat hij (bij de officier van justitie) verzocht heeft om een nadere termijn te stellen om gronden in te dienen. De officier van justitie heeft binnen één maand na ontvangst van het beroepschrift besloten het beroep kennelijk ongegrond te verklaren en van horen af te zien. Het beroep had niet kennelijk ongegrond verklaard kunnen worden, nu de gronden van het administratief beroep nog niet (volledig) bekend waren bij de officier.

3. Uit het dossier blijkt het volgende. De gemachtigde heeft op 6 september 2012 beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking, waarbij hij de CVOM verzoekt om hem enkele documenten (waaronder het zaakoverzicht en foto’s van de gedraging) te openbaren. Vooruitlopend op de gronden die de gemachtigde na het bestuderen van de opgevraagde stukken zal aanvullen, waarvoor hij de CVOM verzoekt een termijn te stellen, geeft de gemachtigde als initiële bezwaren reeds aan dat er het vermoeden is dat er niet te hard is gereden en wordt de werking van de meetapparatuur betwist. Voorts maakt de gemachtigde bezwaar tegen de in rekening gebrachte administratiekosten en verzoekt hij te worden gehoord.

Op 27 september 2012 bevestigt de CVOM de ontvangst van het door de gemachtigde ingediende beroep.

Bij beslissing d.d. 1 oktober 2012 heeft de officier van justitie het beroep van de betrokkene kennelijk ongegrond verklaard. De officier van justitie heeft hierbij onder meer overwogen:

"Hetgeen u aanvoert geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Aan de wettelijke vereisten is voldaan, onder meer dat de apparatuur is geijkt. Daarmee staat voor de officier van justitie vast dat met het voertuig te snel is gereden. (…) De administratiekosten zijn rechtmatig in rekening gebracht. Gelet op het voorgaande acht de officier van justitie het beroep kennelijk ongegrond. Om die reden wordt voorbijgegaan aan een eventueel verzoek te worden gehoord."

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft de CVOM op het WOB-verzoek van de gemachtigde beslist en wordt aan de gemachtigde het zaakoverzicht toegezonden.

4. Het hof stelt vast dat de officier van justitie de gemachtigde niet behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn beroep van argumenten te voorzien, nu de gemachtigde ondanks zijn verzoek hiertoe niet een nadere termijn is gegeven om zijn beroep aan te vullen en de officier van justitie reeds voor het toezenden van het zaakoverzicht een beslissing op het beroep van de gemachtigde heeft genomen.

5. Bovenstaande brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Gelet daarop behoeft de klacht van de betrokkene met betrekking tot schending door de officier van justitie van de hoorplicht geen bespreking meer.

6. Het hof heeft thans te beoordelen of er voldoende grondslag is voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.

7. De gemachtigde stelt dat het vermoeden bestaat dat niet te hard is gereden en betwist de werking van de meetapparatuur.

8. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

9. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De overtreding werd automatisch en langs elektronische weg digitaal geconstateerd en vastgelegd. (…)

De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte snelheidsmeetmiddel.

Gemeten (afgelezen) snelheid : 70 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde)snelheid : 67 km per uur.
Toegestane snelheid : 50 km per uur.
Overschrijding met : 17 km per uur.

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van Procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel gemeten (afgelezen) snelheid. (…)”

10. Op de databalk van de in het dossier aanwezige foto van de gedraging staat onder meer vermeld:

70 km/h (…)

Aug 11 2012

13:56:13

11. Het hof ziet in hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Nu de gemachtigde, anders dan de ontkenning dat de betrokkene de verweten gedraging heeft verricht, geen voor de zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

Het hof zal het beroep gericht tegen de inleidende beschikking dan ook ongegrond verklaren.

12. Namens de betrokkene wordt voorts nog verwezen naar brieven van 25 januari 2013, 26 maart 2013 en 10 juli 2013 waarin is verzocht de beschikking te vernietigen wegens termijnoverschrijding. De gemachtigde verzoekt het hof een dwangsom vast te stellen omdat de officier van justitie niet op het verzoek heeft gereageerd en de beslistermijn heeft overschreden.

13. Het hof stelt vast dat de officier van justitie het tegen zijn beslissing ingediende beroepschrift d.d. 8 oktober 2012 en de op de zaak betrekking hebbende stukken niet binnen de daarvoor in artikel 11, lid 1, van de WAHV gestelde termijn heeft toegezonden aan de rechtbank. Genoemde termijn betreft echter een termijn van orde, waaraan de wet niet het gevolg verbindt dat de opgelegde sanctie dient te worden vernietigd.

Ingevolge artikel 4:17 Awb kan een bestuursorgaan een dwangsom verbeuren als een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. De ingevolge de artikelen 10 en 11 van de WAHV op de officier van justitie rustende verplichting om een dossier door te sturen naar de rechtbank, is niet als een zodanige beslissing aan te merken. Het opleggen van een dwangsom kan reeds daarom niet plaatsvinden.

14. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraag € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 487,- (= 2 x € 487,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 9 oktober 2012;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 487,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *