ECLI:NL:GHARL:2014:8369

Sanctie ter zake van snelheidsoverschrijding geconstateerd door middel van trajectcontrole. De betrokkene stelt dat bij deze werkwijze de inleidende beschikking niet kan gelden als een beschikking in de zin van artikel 4, eerste lid, van de WAHV, omdat deze op geheel automatische wijze tot stand komt. Deze stelling berust op een onjuiste uitleg van de wet. Het hof zet de relevante wetgeving op een rij.

Uitspraak

WAHV 200.143.889
31 oktober 2014
CJIB 162341286

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 15 januari 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te[plaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
wonende te Oldenzaal.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 17 oktober 2014. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. K. van den Berg.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 83,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 11 km/h” (feitcode VF011), welke gedraging zou zijn verricht op 29 maart 2012 om 21:13 uur op de Rijksweg N11 te Hazerswoude met het voertuig met het kenteken[kenteken].

2. De gemachtigde van de betrokkene is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Volgens de gemachtigde is de kantonrechter uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en heeft hij de aangevoerde beroepsgronden op onjuiste wijze geïnterpreteerd. De kantonrechter heeft in het bijzonder miskend dat de zogenoemde “inleidende beschikking” niet heeft te gelden als de beschikking waarbij ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WAHV de sanctie wordt opgelegd. Naar de opvatting van de gemachtigde komt deze inleidende beschikking op geheel automatische wijze tot stand onder verantwoordelijkheid van het CJIB, terwijl de in artikel 3, tweede lid, van de WAHV genoemde ambtenaren geen enkele bemoeienis hebben met het opmaken ervan.

De gemachtigde acht zich gesteund in die opvatting door de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:1236). Volgens de gemachtigde is er in het geval van snelheidscontroles door middel van trajectcontroles en (digitale) flitspalen, evenals bij registercontroles door de RDW, slechts een computersysteem dat gegevens verwerkt en automatisch overdraagt aan het CJIB. Daarbij is het kennelijk niet nodig dat een bevoegde ambtenaar een gedraging constateert of een besluit tot sanctieoplegging neemt.

De gemachtigde trekt daaruit de conclusie dat de inleidende beschikking niet het bewijs inhoudt dat er daadwerkelijk door een bestaande ambtenaar bij schriftelijke beslissing een sanctie is opgelegd. Omdat de inleidende beschikking niet kan gelden als een beschikking in de zin van artikel 4, eerste lid, van de WAHV, zou er nog een ander document moeten zijn, de eigenlijke beschikking ex artikel 4, eerste lid, van de WAHV, inhoudende het daadwerkelijke besluit van een echte ambtenaar om een sanctie op te leggen. Immers, indien de bij artikel 3, eerste lid, van de WAHV aangewezen ambtenaar een administratieve sanctie oplegt, dient dit te geschieden door het nemen van een afzonderlijke schriftelijke beslissing.

Dit volgt uit de bij artikel 1:3, tweede lid, jo. eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven definitie van beschikking.

De gemachtigde heeft ter zitting van het hof daaraan toegevoegd dat een rechtsgeldige beschikking, zijnde een op rechtsgevolg gerichte handeling, een wilsverklaring van het bevoegde bestuursorgaan vereist. In de onderhavige zaak houdt dit vereiste in dat de wil van de verbalisant om een beschikking op te leggen moet blijken uit een schriftelijk geopenbaarde verklaring van die verbalisant. De beschikking moet herleidbaar zijn tot een individueel bestuursorgaan. De gemachtigde heeft in zijn beroepschrift verzocht om de verbalisant ter zitting te horen teneinde te kunnen verifiëren of aan dat vereiste is voldaan.

3. In de door de gemachtigde aangehaalde uitspraak van 20 februari 2014 (WAHV 200.119.209, ECLI:NL:GHARL:2014:1236) is het hof tot het oordeel gekomen dat op grond van de in die zaak door de advocaat-generaal verstrekte informatie niet kon worden vastgesteld dat een administratieve sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, WAHV is opgelegd. Deze uitspraak heeft betrekking op een door middel van registercontrole geconstateerde gedraging en kan reeds om die reden geen gevolgen hebben voor onderhavige zaak, die een langs elektronische weg geconstateerde gedraging betreft.

Overigens heeft het hof in een vergelijkbaar geval van een door middel van registercontrole door de RDW geconstateerde gedraging bij uitspraak van 5 juni 2014 (WAHV 200.138.964, ECLI:NL:GHARL:2014:4324) op grond van nadere door de advocaat-generaal verstrekte informatie geoordeeld dat de sanctieoplegging wel aan een aangewezen ambtenaar kon worden toegerekend, en is de door de gemachtigde aangehaalde jurisprudentie van het hof door die uitspraak achterhaald.

4. In het onderhavige geval is sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling in de vorm van een beschikking. Daarop is de Awb van toepassing.

5. Artikel 1:3 van de Awb houdt – voor zover hier van belang – in:

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag.

6. Blijkens de memorie van toelichting op voormelde bepaling (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 36) betekent de eis dat de beschikking schriftelijk wordt gegeven niet meer dan dat de genomen beslissing uit een schriftelijk stuk kenbaar moet zijn.

7. Artikel 2, eerste lid, van de WAHV houdt – voor zover hier van belang – in:

Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet (Stb. 1992, 96), worden op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties opgelegd.

8. Artikel 3 van de WAHV houdt – voor zover hier van belang – in:

1. Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.

2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.

9. Artikel 4 van de WAHV houdt – voor zover hier van belang – in:

1. De administratieve sanctie wordt opgelegd bij een gedagtekende beschikking. De beschikking bevat een korte omschrijving, onder verwijzing naar de aanduiding in de bijlage, van de gedraging ter zake waarvan zij is gegeven en het voor die gedraging bepaalde bedrag van de administratieve sanctie, de datum en het tijdstip waarop, alsmede de plaats waar de gedraging is geconstateerd.

Bij ministeriële regeling worden het model van de beschikking en dat van de aankondiging van beschikking vastgesteld, of de eisen waaraan het model moet voldoen.

2. Zo mogelijk wordt aanstonds een aankondiging van de beschikking uitgereikt aan degene tot wie zij zich richt, of wordt deze achtergelaten in of aan het motorrijtuig. De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking.

10. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit instelling centraal justitieel incassobureau is het Centraal Justitieel Incassobureau belast met de taken die hem bij algemene maatregel van bestuur zijn opgedragen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel verricht het Centraal Justitieel Incassobureau de werkzaamheden die uit de taken, als bedoeld in het eerste lid, voortvloeien en die Onze Minister van Justitie of het openbaar ministerie van hem verlangen.

11. Artikel 5 van het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1994 (hierna: Bahv) houdt in:

1. Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft tot taak het openbaar ministerie te ondersteunen bij zijn taak met betrekking tot de inning van de administratieve sancties en de daarop gevallen verhogingen en kosten, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet.

2. Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht werkzaamheden die Onze Minister of het openbaar ministerie van hem in verband met de uitoefening van hun taken verlangen.

3. De bevoegde ambtenaren verstrekken het Centraal Justitieel Incassobureau de gegevens, die het behoeft in verband met de uitvoering van dit artikel.

12. Uit het samenstel van de hiervoor genoemde bepalingen volgt dat de door het CJIB aan de betrokkene toegezonden beschikking de schriftelijke bevestiging inhoudt van het door de bevoegde ambtenaar genomen besluit tot oplegging van de sanctie en dat die beschikking dient te worden aangemerkt als de beschikking in de zin van artikel 4 van de WAHV.

Anders dan de gemachtigde wil, is niet vereist dat de door de bevoegde ambtenaar genomen beslissing op hetzelfde moment schriftelijk door hem wordt vastgelegd. Voldoende is dat die beslissing in de voorgeschreven schriftelijke vorm wordt bevestigd. Dat de ambtenaar, na verstrekking van de benodigde gegevens aan het CJIB, niet zelf de verdere uitvoerende werkzaamheden verricht, doet daaraan niet af.

De opvatting van de gemachtigde, dat de inleidende beschikking die aan de betrokkene bekend is gemaakt moet worden onderscheiden van de “eigenlijke” beschikking in de zin van artikel 4, eerste lid, van de WAHV, en dat de administratieve sanctie slechts rechtsgeldig is opgelegd indien daaraan een “eigenlijke” beschikking ten grondslag ligt, berust, gelet op het hiervoor overwogene, op een onjuiste uitleg van de hiervoor genoemde bepalingen.

Het hof merkt ten overvloede op dat het adjectief “inleidende” in de term inleidende beschikking geen andere dan een processuele betekenis toekomt, ter onderscheiding van de beschikking die door de officier van justitie naar aanleiding van het administratieve beroep wordt opgelegd.

13. Blijkens de ambtsedige verklaring van verbalisant [naam] zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB is de gedraging door hem langs elektronische wijze geconstateerd en vastgesteld, overeenkomstig de geldende Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het College van procureurs-generaal (hierna: Aanwijzing). Voorts blijkt uit de zich in het dossier bevindende foto dat de gedraging door middel van een detectorsnelheidsmeter is geregistreerd en met behulp van een camera op fotofilm is vastgelegd.

14. De op de datum van de gedraging geldende Aanwijzing nr. 2011A023 houdt – voor zover van belang – in:

"Een geautomatiseerde snelheidscontrole, waarbij gebruik wordt gemaakt van zogenaamde ‘natte’ film, valt in de volgende fasen te verdelen:

a. het plaatsen, afstellen en inwerkingstellen van de camera/radar/ film;

b. het uitnemen van camera en film en voor zover van toepassing het plaatsen van de film in een verwerkingssysteem waar de beelden worden ingelezen en gedigitaliseerd en de overtredinggegevens en voertuigkentekens zonder tussenkomst van personen worden verwerkt;

c. het uitlezen van de film;

d. het opmaken en tekenen van het proces-verbaal.

Fase a en b: deze fasen zijn strikt juridisch gezien geen opsporingshandelingen, maar gelet op de rechtmatigheid van de bewijsgaring voor de opsporing zodanig cruciaal, dat ze door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar moeten worden uitgevoerd.

Fase c en d: deze fasen worden als opsporingshandelingen aangemerkt en moeten worden uitgevoerd door een opsporingsambtenaar. Degene die de film uitleest, is degene die de overtreding constateert en het proces-verbaal (mede) ondertekent. Als de opsporingsambtenaar die de fasen a en/of b heeft verricht het proces-verbaal niet (mede) ondertekent, kan die ambtenaar volstaan met het vastleggen van deze opsporingshandelingen in een daartoe bestemde rapportage."

15. Gelet op het hiervoor overwogene blijkt dat in het onderhavige geval de beslissing tot oplegging van de sanctie is genomen door verbalisant Poel, als ambtenaar in de zin van artikel 3 van de WAHV, door de op de beslissing betrekking hebbende gegevens te verstrekken aan het CJIB teneinde het besluit in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze bekend te maken.

16. Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt het hof het verweer van de gemachtigde dat de kantonrechter in zijn beslissing heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de administratieve sanctie op de wettelijk voorgeschreven wijze is opgelegd.

17. Nu de gemachtigde overigens de in de beschikking vermelde gedraging niet heeft bestreden en het dossier geen aanleiding geeft tot een andersluidend oordeel, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.