ECLI:NL:GHARL:2014:7750

Parkeren in strijd met APV of artikel 10 RVV 1990? Sanctie ter zake van feitcode R406: “voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken.” Dit betreft een overtreding van de APV. De betrokkene voert aan dat sprake was van een berm en dat parkeren daar was toegestaan. Uit de artikelen 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 10 van het RVV 1990 volgt dat, tenzij sprake is van een auto(snel)weg, de berm een weggedeelte is waar geparkeerd mag worden. Het hof stelt vast dat de betreffende grasstrook zich voordoet als een tot de weg behorende berm. Sanctie ten onrechte opgelegd.

Uitspraak

WAHV 200.132.179
8 oktober 2014
CJIB 158700781
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 18 juni 2013
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te[plaats].

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 1 augustus 2014 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De zaak is ingevolge het tussenarrest behandeld ter zitting van 24 september 2014.

De betrokkene is niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.F. Alting.

Beoordeling

1. Bij voormeld tussenarrest heeft het hof overwogen dat de betrokkene niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het bij de kantonrechter ingestelde beroep beoordelen.

2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 85,- opgelegd ter zake van “voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken” (feitcode R406), welke gedraging zou zijn verricht op 12 januari 2012 om 14.35 uur op de Paasheuvelweg 6 te Amsterdam Zuidoost met het voertuig met het kenteken [kenteken].

3. De betrokkene ontkent niet dat hij op tijd en plaats als onder 2 vermeld zijn voertuig heeft geparkeerd. Hij voert aan dat sprake was van een berm en dat parkeren daar was toegestaan, hetgeen ook veelvuldig gebeurt. Ter verduidelijking heeft de betrokkene een foto van de betreffende locatie in het geding gebracht.

4. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 moet onder het begrip wegen worden verstaan:

“Alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten”.

5. Artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens -voor zover hier van belang- luidt als volgt:

“1. Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.”

6. Uit voormelde bepalingen volgt dat, tenzij sprake is van een autoweg of autosnelweg, de berm een weggedeelte is waar geparkeerd mag worden.

7. Blijkens de door de betrokkene overgelegde foto van de pleeglocatie, gaat de Paasheuvelweg ter plaatse over in een onverhard pad met daarnaast een strook gras die overloopt in het talud van de naastgelegen weg. Naar het oordeel van het hof doet de betreffende grasstrook zich voor als een tot de weg behorende berm. Dat brengt mee dat het de betrokkene was toegestaan daar te parkeren en dat de onder 1. omschreven gedraging niet is verricht.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof, met gegrondverklaring van de respectievelijke beroepen daartegen, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen.

9. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 4 juni 2012, alsmede, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 158700781 de administratieve sanctie is opgelegd;
  • bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.