ECLI:NL:GHARL:2014:7747

De betrokkene heeft het beroepschrift tegen de inleidende beschikking ingediend bij de RDW in plaats van bij de CVOM. Ook op de RDW rust de doorzendplicht.

Uitspraak

WAHV 200.144.386
8 oktober 2014
CJIB 162718306

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 30 januari 2014
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 11 en op 31 juli 2014 zijn nog brieven van de betrokkene ontvangen. Daarbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De zaak is behandeld ter zitting van 24 september 2014. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.F. Alting.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat de officier van justitie daarom terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. De betrokkene voert aan dat hij daags voor de zitting van de kantonrechter zich telefonisch bij de griffier van de rechtbank mevrouw Bijen-van den Muijsenberg heeft afgemeld wegens ziekte en dat hem toen is medegedeeld dat hij een nieuwe oproeping zou ontvangen.

3. Het hof ziet –gelijk de advocaat-generaal- geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen de betrokkene met betrekking hiertoe heeft aangevoerd. Dat de inhoud van het telefoongesprek de kantonrechter, die hierin een verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak had moeten zien waarop hij had moeten beslissen, kennelijk niet (tijdig) heeft bereikt is een omstandigheid die de betrokkene niet kan worden tegengeworpen. Dit brengt mee dat de bestreden beslissing reeds daarom niet in stand kan blijven. Het hof zal daarom met vernietiging van de bestreden beslissing doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen en -na de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld ter terechtzitting zijn bezwaren toe te lichten- de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

4. De officier van justitie heeft het tegen de inleidende beschikking ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingesteld.

5. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.

6. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking op 3 juli 2012 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 21 augustus 2012.

7. De betrokkene heeft aangevoerd dat hij op 28 november 2012 te laat bezwaar heeft gemaakt, omdat hij aanvankelijk zich tot de RDW heeft gericht bij brief van 16 september 2012, waarvan hij een afschrift heeft overgelegd. Na ontvangst van een aanmaning en daaropvolgend telefonisch contact met een medewerker van het CJIB werd hem duidelijk dat hij niet de juiste procedure had gevolgd.

8. Het hof ziet geen aanleiding eraan te twijfelen dat de betrokkene de betreffende brief op of omstreeks 16 september 2012 bij de RDW heeft ingediend. Gelet op de aard en inhoud van deze brief kon deze bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een beroepschrift tegen een opgelegde sanctie en rustte op grond van artikel 6:15 Awb op de RDW de plicht om deze brief na aantekening van de ontvangstdatum zo spoedig mogelijk door te zenden naar het bevoegde orgaan, te weten de CVOM. Dat laat echter onverlet dat ook deze brief (ruimschoots) na afloop van de beroepstermijn bij de RDW is ingediend.

9. De betrokkene voert als reden voor de termijnoverschrijding aan dat hij in de betreffende periode onder enorme werkdruk heeft gestaan vanwege verwikkelingen binnen de ideële stichting waarvoor hij werkzaam is. Daardoor heeft hij zijn privéadministratie niet goed kunnen bijhouden.

10. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

11. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd, leidt echter niet tot de conclusie dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Het is immers zijn verantwoordelijkheid om ook tijdens een periode van grote werkdruk te waarborgen dat hij tijdig van voor hem bestemde poststukken kan kennisnemen en – indien nodig – daarop kan reageren. Indien hij daartoe zelf niet staat is, ligt het op zijn weg om iemand in te schakelen die zijn belangen behartigt. Dat hij dat heeft nagelaten is een omstandigheid die voor zijn eigen rekening en risico dient te komen. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat brengt mee dat het tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

13. Nu het ervoor wordt gehouden dat de betrokkene op of omstreeks 16 september 2012 beroep heeft ingesteld tegen de opgelegde sanctie, is ten onrechte op 31 oktober 2012 de tweede verhoging van de sanctie ad € 585,- ingetreden. Deze dient daarom door de advocaat-generaal ongedaan te worden gemaakt.

14. Het hof ziet -gelet op het voorgaande- aanleiding over te gaan tot vergoeding van de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting in hoger beroep. De reiskosten worden ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Dit betreft een kennelijke omissie van de regelgever: bedoeld is onderdeel d. Ingevolge die bepaling wordt in een geval als het onderhavige een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit is € 56,-, zijnde de ritprijs bij het reizen op saldo met een OV-chipkaart per trein van Maasland naar Leeuwarden en weer terug.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
  • bepaalt dat de aan de betrokkene opgelegde tweede verhoging van de sanctie ad € 585,- door de advocaat-generaal ongedaan wordt gemaakt;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 56,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.