ECLI:NL:GHARL:2014:5945

De enkele stelling dat de gedraging wordt betwist, is onvoldoende om deze als grond van het beroep als bedoeld in artikel 6:5 van de AWB aan te merken. Wordt het verzuim niet tijdig hersteld, dan mag het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.


Uitspraak

WAHV 200.135.056
24 juli 2014
CJIB 158494043
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland
van 1 oktober 2013
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt
mr. [gemachtigde], kantoorhoudende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland genomen beslissing ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De officier van justitie heeft het tegen de inleidende beschikking ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat de gemachtigde naar de opvatting van de officier van justitie, ook na in gebreke te zijn gesteld, heeft verzuimd de gronden van het beroep op te geven. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van de gemachtigde tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

2. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de beslissing van de kantonrechter getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en wijst in dit verband op het arrest van het hof van 8 oktober 2012 met nummer WAHV 200.104.727 (niet gepubliceerd). De gemachtigde verstaat de aangehaalde uitspraak van het hof aldus dat in de onderhavige zaak geen aanleiding bestond de gronden van het beroep op te vragen.
De gemachtigde voert als tweede grond aan dat de ontvangst van de brief van de officier van justitie, waarbij de gronden van het beroep zijn opgevraagd, door hem te allen tijde zou zijn betwist. Naar de opvatting van de gemachtigde had de kantonrechter de verzending van de brief van de officier van justitie daarom aannemelijk dienen te maken.

3. Uit het dossier blijkt het volgende.
Bij schrijven d.d. 2 februari 2012 heeft de gemachtigde van de betrokkene beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. Dit schrijven vermeldt – voor zover hier van belang -:

"Betrokkene betwist met de aan te voeren gronden impliciet de verweten gedraging te hebben verricht en doet dat daarnaast ook expliciet. Ik verzoek u mij de zaaksgegevens toe te zenden. Bij de politie heb ik op grond van de wet openbaarheid van bestuur de relevante stukken opgevraagd. Zodra ik alles heb ontvangen, kan ik dit beroep motiveren."

Bij schrijven d.d. 5 juli 2012 heeft de officier van justitie de gemachtigde meegedeeld dat het beroepschrift niet voldoet aan de eisen onder meer gesteld bij de artikelen 2:1, tweede lid, jo 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doordat het beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat. De gemachtigde wordt in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen vier weken na dagtekening van het schrijven te herstellen.
Uit het dossier blijkt niet dat de gemachtigde op voormeld schrijven heeft gereageerd.
Bij beschikking van 31 augustus 2012 heeft de officier van justitie het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard.

4. Nu het beroepschrift van de gemachtigde d.d. 2 februari 2012 niet de gronden van het beroep bevat en de gemachtigde niet in reactie op het hiervoor aangehaalde schrijven d.d. 5 juli 2012 binnen de gestelde termijn dat verzuim heeft hersteld of anderszins daarop heeft gereageerd, heeft de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De enkele stelling dat de gedraging wordt betwist is onvoldoende om deze als grond van het beroep aan te merken, temeer nu de gemachtigde in het beroepschrift heeft vermeld dat het beroep zal worden gemotiveerd zodra de door hem opgevraagde stukken zouden zijn ontvangen. Gelet op de aan de door de gemachtigde aangehaalde uitspraak van het hof d.d. 8 oktober 2012 ten grondslag liggende omstandigheden heeft de gemachtigde daaraan een onjuiste uitleg gegeven.

5. Volgens vaste administratiefrechtelijke jurisprudentie dient, in geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst dan is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de verzending daarvan aannemelijk te maken.

6. Het hiervoor onder 3 aangehaalde schrijven van de officier van justitie d.d. 5 juli 2012 is gericht aan de gemachtigde op het in zijn beroepschrift vermelde adres, te weten [adres]. Niet blijkt dat het stuk als onbestelbaar is geretourneerd. Derhalve houdt het hof het ervoor dat de gemachtigde het schrijven heeft ontvangen.

De gemachtigde heeft in zijn beroepschrift van 20 september 2012 noch in zijn hoger beroepschrift aannemelijk gemaakt dat hij het schrijven van de officier van justitie niet heeft ontvangen. De enkele stelling dat het schrijven niet is ontvangen is daartoe onvoldoende.

7. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de kantonrechter een juiste beslissing genomen. Het hof zal die beslissing bevestigen. Nu de gemachtigde niet in het gelijk wordt gesteld zal het hof het verzoek om vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
  • wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Zomer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2014:5945”

  1. De volgende opmerking gaat over punt 4 van dit arrest:

    4. Nu het beroepschrift van de gemachtigde d.d. 2 februari 2012 niet de gronden van het beroep bevat en de gemachtigde niet in reactie op het hiervoor aangehaalde schrijven d.d. 5 juli 2012 binnen de gestelde termijn dat verzuim heeft hersteld of anderszins daarop heeft gereageerd, heeft de officier van justitie het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De enkele stelling dat de gedraging wordt betwist is onvoldoende om deze als grond van het beroep aan te merken, temeer nu de gemachtigde in het beroepschrift heeft vermeld dat het beroep zal worden gemotiveerd zodra de door hem opgevraagde stukken zouden zijn ontvangen. Gelet op de aan de door de gemachtigde aangehaalde uitspraak van het hof d.d. 8 oktober 2012 ten grondslag liggende omstandigheden heeft de gemachtigde daaraan een onjuiste uitleg gegeven.

    Punt 8 van het arrest van het Hof van 22 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10365, verwijst op dit onderwerp naar onderhavig arrest. Het hof komt in dit arrest terug op het feit dat de enkele stelling dat de gedraging wordt betwist, onvoldoende is om deze als grond van het beroep aan te merken.

    8. Met de gronden van het beroep worden de redenen bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen (vgl. het arrest van het hof van 12 januari 2015, gepubliceerd op rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL2015:195, ov. 5). Het gaat hier om een minimum-eis, waaraan in WAHV-zaken al snel is voldaan. Een -ook voorlopige- indicatie waarom de indiener van het beroepschrift zich niet met de aangevochten beslissing kan verenigen, is voldoende om te kunnen spreken van een grond. Als zodanige gronden zijn bijvoorbeeld te beschouwen de (enkele) ontkenning dat de gedraging is begaan, de (enkele) ontkenning van de verwijtbaarheid van de gedraging, de (enkele) ontkenning van de juiste werking van de meetmiddelen of de (enkele) betwisting van de bevoegdheid van de verbalisant, ook indien deze gronden -al dan niet bij gebreke van nog opgevraagde informatie- niet van enige onderbouwing zijn voorzien of indien is aangegeven dat deze op voorhand zijn aangevoerd en/of wordt aangekondigd dat de gronden zullen worden aangevuld al dan niet na ontvangst van gevraagde informatie. In zoverre oordeelt het hof thans anders dan in zijn arresten van 24 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5945, ov. 4, en van 17 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8247, ov. 7.

    De enkele stelling dat de gedraging wordt betwist, is thans voldoende om te kunnen spreken van een grond.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *