ECLI:NL:GHARL:2014:5768

Aan de betrokkene is ten onrechte een sanctie opgelegd ter zake van parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder geldige gehandicaptenparkeerkaart. Betrokkene heeft de houder van de gehandicaptenparkeerkaart afgezet in het centrum en zij heeft vervolgens met toestemming de auto geparkeerd op een gehandicaptenparkeerplaats, voorzien van de gehandicaptenparkeerkaart. Toen de auto werd geparkeerd, bevond de houder van de gehandicaptenparkeerkaart, zich niet in of nabij het voertuig. Toen de verbalisanten de bestuurster vroegen of er een gehandicaptenparkeerkaart in de auto lag, konden zij nog niet weten dat er slechts een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier in het voertuig lag. Het hof neemt in aanmerking dat de verbalisant geen (voldoende) feiten of omstandigheden heeft aangedragen die meebrengen dat van het tegendeel moet worden uitgegaan. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.

Uitspraak

WAHV 200.127.924
17 juli 2014
CJIB 154376057

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant
van 10 april 2013
betreffende
[woonplaats] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant genomen beslissing gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 180,- opgelegd ter zake van “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met motorvoert. op meer dan 2 wielen met geldige gehand.parkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 juli 2011 om 09.34 uur op de Tolbrugstraat te ‘s-Hertogenbosch met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de bestreden beslissing alsmede de inleidende beschikking vernietigd en bepaald dat de zekerheidstelling aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd. Hiertoe heeft de kantonrechter – kort gezegd – overwogen dat hij de door de betrokkene aangevoerde gronden aannemelijk acht. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat het feit dat de verbalisanten niet hebben waargenomen dat de passagier, die in het bezit was van de gehandicaptenparkeerkaart, zich op het moment van parkeren van het voertuig niet meer in het voertuig bevond omdat hij even verderop was afgezet door de bestuurder, niet wil zeggen dat de gehandicaptenparkeerkaart onrechtmatig is gebruikt.

3. De officier van justitie kan zich met de door de kantonrechter gegeven beslissing niet verenigen en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft aangevoerd dat hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen grond is voor twijfel aan de waarnemingen of het relaas van de verbalisant. Toen de auto werd geparkeerd, bevond de houder van de gehandicaptenparkeerkaart, [naam], zich niet in of nabij het voertuig. De kaart voor een passagier kan daarom niet worden aangemerkt als een voor de betrokkene geldige gehandicaptenparkeerkaart waarmee op de bewuste plaats mocht worden geparkeerd. Toen de verbalisanten de bestuurster vroegen of er een gehandicaptenparkeerkaart in de auto lag, konden zij nog niet weten dat er slechts een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier in het voertuig lag. Naar de mening van de officier van justitie dient de beslissing van de kantonrechter vernietigd te worden en dient het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie alsnog ongegrond te worden verklaard.

4. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling luidt voor zover hier van belang:

"Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

b. een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar is aangebracht, indien het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt."

5. Deze bepaling dient naar het oordeel van het hof zo te worden begrepen dat het op de weg van een betrokkene ligt zich erop te beroepen dat het parkeren rechtstreeks verband houdt met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt en, wil dit beroep kunnen slagen, een betrokkene zijn stelling ook aannemelijk dient te maken.

6. Artikel 1 van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart bepaalt in het eerste lid – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – dat voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking kunnen komen bestuurders of passagiers van motorvoertuigen die een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, permanent rolstoelgebonden zijn of andere ernstige beperkingen hebben. Het tweede lid van artikel 1 van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart bepaalt:

''Op de gehandicaptenparkeerkaart wordt met een hoofdletter B aangegeven of het een gehandicapte bestuurder betreft en een hoofdletter P of het een gehandicapte passagier betreft. Een combinatie van beide is mogelijk. (…).''

7. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt, naast de in de beschikking vermelde datum, tijd, plaats en het kenteken van het voertuig, voor zover van belang het volgende in:

" gedragingsgegevens: geen passagier aanwezig kaartnr. [nummer] (…)."

8. De betrokkene heeft aangevoerd dat hem ten onrechte een sanctie is opgelegd. Hij ontkent niet dat de auto geparkeerd heeft gestaan op een gehandicaptenparkeerplaats, maar voert aan dat dit rechtstreeks verband houdt met het vervoer van [naam]. Hij is een vriend van de familie en zij helpen hem indien nodig met vervoer. Op 13 juli 2011 hebben zij hem naar de markt gebracht voor het doen van boodschappen en om wat tijd door te brengen in de stad. [naam], zijn dochter, heeft de betrokkene en Amirian afgezet in het centrum van Den Bosch en zij heeft vervolgens de auto geparkeerd die met toestemming van Amirian was voorzien van zijn gehandicaptenparkeerkaart. Na het uitstappen is zijn dochter aangesproken door politieagenten. Zij vroegen of er een invalidenparkeerkaart in de auto lag. Zij heeft bevestigend geantwoord en is doorgelopen. De agenten hebben verder geen vragen gesteld. Hadden zij dit wel gedaan, dan had zijn dochter uitleg kunnen geven en hadden Amirian en de betrokkene desnoods terug kunnen komen. Een kopie van gehandicaptenparkeerkaart nr. [nummer], kaarttype P, en een getuigenverklaring van H. Amirian zijn bij het beroepschrift tegen de inleidende beschikking gevoegd. De betrokkene en [naam] hebben verklaard bereid te zijn het beroep toe te lichten.

9. De betrokkene heeft aldus voldoende aannemelijk gemaakt dat het parkeren op de gehandicaptenparkeerplaats in dit geval rechtstreeks verband hield met het vervoer van de gehandicapte aan wie de kaart is verstrekt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verbalisant geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen die meebrengen dat van het tegendeel moet worden uitgegaan. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

2 gedachten over “ECLI:NL:GHARL:2014:5768”

  1. Met betrekking tot de Regeling gehandicaptenparkeerkaart heb ik de volgende toelichting gevonden.

    Voor zowel bestuurders als passagiers die in aanmerking menen te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart geldt dat men ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking moet hebben van langdurige aard. Onder `van langdurige aard’ moet men verstaan: ten minste zes maanden, waar het tijdsbeslag van de afhandelingsprocedure nog moet worden bijgeteld. Hiermee wordt aangesloten op hetgeen binnen het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten is ontwikkeld. Bij de keuring moet voorts rekening gehouden worden met de gebruikelijke loophulpmiddelen welke men ter beschikking heeft.

    De aanvrager moet voorts in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen. De keuring blijft een momentopname. Door ervaring weet de keurende arts over het algemeen heel goed of bij een aanvrager sprake is van `in redelijkheid’. Dit laatste is uiteraard afhankelijk van de in het geding zijnde aandoening of gebrek.

    Om voor een passagierskaart in aanmerking te kunnen komen dient de aanvrager voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder.

    Bij de keuring dient derhalve te worden beoordeeld of de aanvrager afhankelijk is van de hulp van de bestuurder om zich te verplaatsen. Wanneer deze hulp niet noodzakelijk is, komt de aanvrager niet voor een passagierskaart in aanmerking. De hulp die men nodig heeft van de bestuurder maakt het mogelijk om ook voor een passagierskaart een afstand van 100 meter op te nemen. In tegenstelling tot de oude terminologie van `niet of nauwelijks te voet kunnen voortbewegen’ is een afstandscriterium van 100 meter voor de keurende instanties goed meetbaar. (Bron: Stcrt. 2001, 130, pagina 12)

  2. Op 01-07-2010 is onder andere artikel 26 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 gewijzigd (Stb. 2010, 227) met de volgende toelichting:

    In het RVV 1990 was tot op heden (01-07-2010) geen verbod opgenomen op misbruik van de gehandicaptenparkeerkaart. Evenmin was vastgelegd dat het parkeren van een gehandicaptenvoertuig op een gehandicaptenparkeerplaats verband moest houden met het vervoer van een gehandicapte. Het gebruik van gehandicaptenvoertuigen heeft in de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen, ook onder niet-gehandicapten. Daarmee is behoefte ontstaan aan de mogelijkheid op te treden tegen misbruik van gehandicaptenparkeerplaatsen. In het RVV 1966 stond eerder wel een verbodsbepaling die hierop betrekking had. Overeenkomstig die verbodsbepaling wordt nu opnieuw een verbod opgenomen.

    Hoewel het verbod op misbruik van gehandicaptenparkeerplaatsen in de praktijk niet gemakkelijk handhaafbaar zal zijn, wordt met het verbod voorkomen dat de toezichthouder bij constatering van misbruik met lege handen staat. (Bron: Stb. 2010, 227, Nota van toelichting, Onderdeel H)

    Ondanks deze wijziging (en de toelichting er op) is de sanctie in deze zaak niet vernietigd door het Gerechtshof.

Reacties zijn gesloten.