ECLI:NL:GHARL:2014:4924

Het hof stelt voorop dat het in beginsel op de weg van de betrokkene ligt om zorg te dragen voor een adequate behandeling van zijn post en de behartiging van zijn belangen gedurende zijn afwezigheid. Dit geldt te meer wanneer de betrokkene zelf een procedure is gestart en derhalve kon rekenen op correspondentie inzake deze procedure. Nu de betrokkene de CVOM er tijdig van op de hoogte had gesteld dat hij gedurende drie maanden – een periode waarbinnen cruciale procedurele termijnen kunnen verlopen – in het buitenland zou verblijven en een emailadres had opgegeven waarop hij gedurende zijn afwezigheid bereikbaar zou zijn, had van de CVOM in redelijkheid mogen worden verwacht dat tijdig aan de betrokkene kenbaar zou worden gemaakt dat de CVOM, zoals in het verweerschrift van de advocaat-generaal wordt gesteld, geen gebruik zou maken van de mogelijkheid van elektronische verzending. Dan had de betrokkene de gelegenheid gehad om, indien gewenst, een andere voorziening te treffen voor zijn post. Nu de CVOM echter in het geheel niet heeft gereageerd op de aankondiging van de betrokkene, kan niet worden geoordeeld dat de betrokkene ten aanzien van de verplichting tot zekerheidstelling in verzuim is geweest.

Uitspraak

WAHV 200.131.551
18 juni 2014
CJIB 162734006

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 28 juni 2013
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te[woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland genomen beslissing niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 20 mei 2014 is nog een brief van de betrokkene ontvangen. Daarbij is verzocht om een vergoeding van proceskosten.

De zaak is behandeld ter zitting van 4 juni 2014. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. K. van den Berg.

Beoordeling

1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, van de WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

2. De betrokkene voert aan dat hij niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van de zekerheidsbrieven, aangezien hij in het buitenland verbleef. Hij had in zijn beroepschrift aan de kantonrechter echter al op voorhand aangegeven dat hij van 8 januari 2013 t/m 7 april 2013 in het buitenland verbleef, maar steeds bereikbaar zou zijn op zijn emailadres [naam]. Daarop is niet gereageerd en de zekerheidsbrieven zijn enkel naar zijn huisadres gestuurd.

3. Het hof stelt voorop dat het in beginsel op de weg van de betrokkene ligt om zorg te dragen voor een adequate behandeling van zijn post en de behartiging van zijn belangen gedurende zijn afwezigheid. Dit geldt te meer wanneer de betrokkene zelf een procedure is gestart en derhalve kon rekenen op correspondentie inzake deze procedure.

4. Artikel 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

"1. Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is."

5. Nu de betrokkene de CVOM er tijdig van op de hoogte had gesteld dat hij gedurende drie maanden – een periode waarbinnen cruciale procedurele termijnen kunnen verlopen – in het buitenland zou verblijven en een emailadres had opgegeven waarop hij gedurende zijn afwezigheid bereikbaar zou zijn, had van de CVOM in redelijkheid mogen worden verwacht dat tijdig aan de betrokkene kenbaar zou worden gemaakt dat de CVOM, zoals in het verweerschrift van de advocaat-generaal wordt gesteld, geen gebruik zou maken van de mogelijkheid van elektronische verzending. Dan had de betrokkene de gelegenheid gehad om, indien gewenst, een andere voorziening te treffen voor zijn post. Nu de CVOM echter in het geheel niet heeft gereageerd op de aankondiging van de betrokkene, kan niet worden geoordeeld dat de betrokkene ten aanzien van de verplichting tot zekerheidstelling in verzuim is geweest.

6. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven en dat de zaak in beginsel moet worden teruggewezen naar de rechtbank. Het hof zal daartoe echter niet overgaan, nu de betrokkene ter zitting heeft aangegeven er de voorkeur aan te geven dat het gerechtshof het beroep behandelt.

7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 mei 2012 om 13.03 uur op de Larenseweg te Hilversum met het voertuig met het kenteken [kenteken]

8. De betrokkene erkent dat hij als gevolg van onoplettendheid door het rode licht is gereden. Volgens zijn berekening heeft het verkeerslicht slechts 0,66 seconden op rood gestaan toen hij dit licht passeerde. Bovendien reed hij op dat moment met beperkte snelheid (37 km/u) en was de kruising vrijwel leeg. Van opzet was dan ook geen sprake. De opgelegde sanctie staat daarom in geen verhouding tot de ernst van de gedraging.

9. Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 2, derde lid, van de WAHV is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.

10. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld. De omstandigheid dat de betrokkene niet doelbewust de gedraging heeft begaan en de verkeersveiligheid niet in gevaar zou hebben gebracht, zijn volgens vaste jurisprudentie geen omstandigheden die aanleiding geven af te wijken van de vastgestelde tarieven. Het verrichten van een gedraging als de onderhavige kan op zichzelf al het opleggen van een sanctie rechtvaardigen. De mogelijkheid tot oplegging van een sanctie als de onderhavige heeft de wetgever niet afhankelijk gesteld van opzet of gevaarzetting. Om die reden kan niet worden gezegd dat de omstandigheden dusdanig zijn dat de sanctie dient te worden gematigd of in zijn geheel achterwege dient te blijven.

11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof – met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter – het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

12. Nu de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd, acht het hof termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep. Reiskosten van de betrokkene worden ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. In dit geval wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit is € 45,60, zijnde de ritprijs bij het reizen op saldo met een OV-chipkaart per trein van Hilversum naar Leeuwarden en weer terug. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 45,60.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2014:4924”

  1. Nevenschikking

    Het kabinet kiest voor «nevenschikking» en niet voor «verdringing» van conventionele gegevensuitwisseling door elektronisch verkeer. Dit betekent dat voor verkeer met de overheid dient te gelden dat de papieren weg mogelijk blijft: ook als het bestuur langs elektronische weg kan reageren, behoudt de burger de mogelijkheid aan te geven dat hij uitsluitend via papieren geschriften dan wel mondeling contact wenst. De elektronische weg komt naast en niet in plaats van het conventionele verkeer.
    Het uitgangspunt «nevenschikking in plaats van verdringing» is in het bijzonder van betekenis voor de beantwoording van de vraag wie bepaalt of het verkeer langs elektronische of conventionele weg plaatsvindt.

    • Uitgangspunt is dat de burger bepaalt in welke vorm het verkeer plaatsvindt indien het bestuursorgaan over beide mogelijkheden beschikt.
    • Voor zover het bestuursorgaan over bepaalde zaken alleen maar op conventionele wijze communiceert, heeft de burger geen keus; hij kan elektronisch verkeer dan niet afdwingen.
    • Het is het bestuursorgaan niet toegestaan bepaalde zaken alleen nog maar langs elektronische weg te doen, tenzij alle betrokkenen hiermee instemmen. Dat zou immers in strijd zijn met het uitgangspunt van de nevenschikking.

    Deze drie uitgangspunten vinden hun weerslag in de bepalingen van dit wetsvoorstel. Voor zover een burger een bepaald bericht langs elektronische weg aan een bestuursorgaan wil sturen, kan dat in beginsel alleen voor zover het bestuursorgaan heeft aangegeven dat het voor dat soort berichten langs die weg bereikbaar is. De burger kan het gebruik van de elektronische weg niet afdwingen indien het bestuursorgaan niet bereid is van deze weg gebruik te maken. Omgekeerd is het niet aanvaardbaar dat een bestuursorgaan berichten langs elektronische weg stuurt aan een burger die daarop niet is ingesteld. Het principe van de nevenschikking wordt tot uitdrukking gebracht in artikel 2:14, eerste en tweede lid, en 2:15, eerste lid. (Kamerstuk 28483, nr. 3, Memorie van Toelichting, blz. 8 en 9)

    Bereikbaarheid van de burger

    Een bestuursorgaan kan ingevolge artikel 2:14, eerste lid, een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, langs elektronische weg verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. De kenbaarmaking kan in beginsel meer of minder uitdrukkelijk geschieden, maar voorlopig zal nog wel van uitdrukkelijke kenbaarmaking moeten worden uitgegaan. Daarbij zal ook moeten worden aangegeven voor welke vorm van elektronisch verkeer men openstaat. De enkele bekendheid van een e-mailadres is in de huidige situatie bijvoorbeeld niet zonder meer voldoende. Wie eenmaal elektronisch bereikbaar was hoeft dat niet te blijven en het is, vergeleken met een conventionele omgeving, op de elektronische snelweg veel eenvoudiger om een postadres te wijzigen of om over meerdere postadressen te beschikken. De geadresseerde zal derhalve moeten aangeven dat hij voor een bepaald bericht of een bepaalde berichtenuitwisseling elektronisch bereikbaar is en op welk elektronisch postadres hij bereikbaar is. Uit een oogpunt van behoorlijk bestuur dient een bestuursorgaan dat een (automatische) mededeling heeft ontvangen dat een door hem langs elektronische weg verzonden bericht niet is aangekomen, het bericht alsnog naar het correcte elektronische adres te verzenden dan wel alsnog een papieren geschrift te verzenden. (Kamerstuk 28483, nr. 3, Memorie van Toelichting, blz. 11)

    Teneinde een bericht langs elektronische weg te mogen verzenden, is vereist dat de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs die weg voldoende bereikbaar is. De wettekst stelt geen eisen aan de wijze van kenbaarmaking. De kenbaarmaking kan meer of minder uitdrukkelijk geschieden. De geadresseerde zal moeten aangeven op welk elektronisch postadres hij bereikbaar is. Vergeleken met een conventionele omgeving is het op de elektronische snelweg immers veel eenvoudiger om een postadres te wijzigen of om over meer postadressen te beschikken. Men zie meer uitvoerig het algemeen deel van deze toelichting. (Kamerstuk 28483, nr. 3, Memorie van Toelichting, blz. 38)

    De weigering een bericht te aanvaarden

    Indien een bericht langs elektronische weg aan een bestuursorgaan wordt verzonden, terwijl het bestuursorgaan niet kenbaar heeft gemaakt dat deze weg voor berichten van die aard is geopend (vgl. artikel 2:15, eerste lid), dan kan het bestuursorgaan op deze grond weigeren het bericht te aanvaarden. Eveneens kan het bestuursorgaan op deze grond weigeren het bericht te aanvaarden indien de elektronische weg niet op deze wijze is geopend. Denkbaar is immers dat de elektronische weg op zichzelf wel openstaat, maar dat de verzender niet voldoet aan de technische voorschriften die het bestuursorgaan stelt voor de ontvangst van bepaalde soorten berichten. De afzender maakt bijvoorbeeld gebruik van programmatuur waarmee het bestuursorgaan niet uit de voeten kan. (Kamerstuk 28483, nr. 3, Memorie van Toelichting, blz. 31)

    Uit een oogpunt van behoorlijk bestuur dient het bestuursorgaan de afzender steeds zo spoedig mogelijk van de weigering op de hoogte te stellen. Artikel 2:15, vierde lid, heeft tot strekking hiervoor een waarborg te bieden. Het bestuur kan het bericht van weigering langs elektronische weg verzenden, mits aan de vereisten van artikel 2:14 is voldaan. De afzender kan van de mogelijkheid gebruik maken het langs elektronische weg verzonden bericht te herstellen, zodat het alsnog aan de eisen voldoet, dan wel zijn bericht langs schriftelijke weg verzenden.

    De op artikel 2:15 gebaseerde weigering kan betrekking hebben op allerhande stukken en berichten. Het kan gaan om een aanvraag, een bezwaarschrift of een klacht, maar ook om een bijlage daarbij of een nader stuk in een procedure, of om een brief met een verzoek. Deze weigering is niet appellabel. Voor zover de weigering kan worden aangemerkt als een besluit, brengt een in te voegen onderdeel in artikel 8:4 tot uitdrukking dat dit besluit niet vatbaar is voor beroep. (Kamerstuk 28483, nr. 3, Memorie van Toelichting, blz. 32)

    Het risico van de verzending ligt in beginsel bij de verzender. Dit betekent dat wanneer een bericht buiten de schuld van de ontvanger niet, niet tijdig of niet juist overkomt, dat voor risico van de verzender zal komen. Het ligt op de weg van het bestuursorgaan bij het openstellen van de elektronische weg de potentiële gebruikers hierover uitdrukkelijk te informeren. In geval van indiening van een onvolledige, onbetrouwbare of niet vertrouwelijke aanvraag, dan wel een onvolledig, onbetrouwbaar of niet vertrouwelijk bezwaar- of beroepschrift, dan wel een aanvraag, bezwaar- of beroepschrift waarvoor de elektronische weg niet of niet op deze wijze is opengesteld, dient echter te worden bezien of gelegenheid moet worden geboden om het verzuim binnen een daartoe gestelde termijn te herstellen.

    Indien een bestuursorgaan een bericht langs elektronische weg verzendt dat onvoldoende betrouwbaar en vertrouwelijk is, of een bericht verstuurt aan een burger die niet kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg bereikbaar is, hangen de gevolgen daarvan af van het soort bericht dat is verzonden. Betreft het de bekendmaking van een besluit, dan treedt het ingevolge artikel 3:40, eerste lid, niet in werking. Betreft het bijvoorbeeld de oproep voor het horen van een aanvrager, dan is de aanvrager niet op adequate wijze in de gelegenheid gesteld te worden gehoord en dient dat alsnog te gebeuren, althans voor zover de verplichting bestaat de aanvrager te horen. Indien de geadresseerde het door het bestuursorgaan langs elektronische weg verzonden bericht niet betrouwbaar of vertrouwelijk acht, kan hij voorts om een schriftelijke afdruk verzoeken. Het bestuursorgaan dient aan een dergelijk verzoek gehoor te geven. (Kamerstuk 28483, nr. 3, Memorie van Toelichting, blz. 33 en 34)

Reacties zijn gesloten.