ECLI:NL:GHARL:2014:4734

In WAHV-zaken staat het de rechter niet vrij zich een oordeel te vormen omtrent de hoogte van de door de wetgever vastgestelde tarieven. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van het vastgestelde tarief af te wijken. Dat een verbalisant in de regel niet kan vaststellen of een gehandicaptenparkeerkaart juist wordt gebruik wanneer deze eenmaal achter het raam van een geparkeerd voertuig ligt, levert in onderhavige zaak niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op. Evenmin kan de omstandigheid dat de betrokkene zich niet had gerealiseerd dat het voertuig aan de onderkant van de voorruit was voorzien van een donkere rand, als een zodanig bijzondere omstandigheid gelden. Het hof ziet dan ook geen reden te bepalen dat de sanctie achterwege moet blijven dan wel dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd.

Uitspraak

WAHV 200.131.014
11 juni 2014
CJIB 154172167

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant
van 29 mei 2013
betreffende
[naam betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 90,-. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 180,- opgelegd ter zake van “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met motorvoertuig op meer dan 2 wielen met geldige gehandicaptenparkeerkaart” (feitcode R402b), welke gedraging zou zijn verricht op 20 juli 2011 om 19.48 uur op de Willemstraat te Eindhoven met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene heeft tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het ingestelde beroep ongegrond verklaard. Omdat de betrokkene zich met deze beslissing niet kon verenigen, heeft hij hiertegen beroep ingesteld bij de kantonrechter.

3. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de gedraging is verricht, nu de gehandicaptenparkeerkaart niet voldoende zichtbaar in het voertuig was aangebracht. Verder heeft de kantonrechter opgemerkt dat de betrokkene een kopie van een op naam van zijn moeder gestelde (bestuurders)gehandicaptenparkeerkaart in de procedure heeft gebracht. Ondanks dat een dergelijke kaart alleen gebruikt mag worden wanneer de houder als bestuurder optreedt, is de kantonrechter van oordeel dat er in dit incidentele geval aanleiding bestaat het sanctiebedrag te matigen. Hiertoe is overwogen dat een verbalisant in de regel niet kan vaststellen of een gehandicaptenparkeerkaart juist wordt gebruikt, wanneer deze eenmaal achter het raam van een geparkeerd voertuig ligt.

4. De officier van justitie kan zich met deze door de kantonrechter gegeven beslissing niet verenigen en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Allereerst heeft de officier van justitie aangevoerd dat de omstandigheid dat de gehandicaptenparkeerkaart – als gevolg van een donkere rand aan de onderkant van de voorruit – niet duidelijk leesbaar was, niet tot matiging van het sanctiebedrag dient te leiden. Een dergelijke omstandigheid dient voor rekening en risico van de betrokkene te komen, aldus de officier van justitie. Dat een verbalisant bij een geparkeerd voertuig in de regel niet kan vaststellen of een gehandicaptenparkeerkaart juist wordt gebruikt, dient volgens de officier van justitie evenmin te leiden tot matiging van het sanctiebedrag. Naar de mening van de officier van justitie dient de beslissing van de kantonrechter vernietigd te worden en dient het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie alsnog ongegrond te worden verklaard.

5. De betrokkene is van mening dat de gedraging is verricht onder omstandigheden die matiging van het sanctiebedrag rechtvaardigen. Daartoe voert hij aan dat hij ten tijde van de gedraging voor het eerst in een nieuwe auto reed en zich niet heeft gerealiseerd dat de voorruit aan de onderkant een donkere rand had, waardoor het zicht op de gehandicaptenparkeerkaart werd belemmerd. De betrokkene is van mening dat het bedrag van de sanctie in geen enkele verhouding staat tot de ernst van de door hem verrichte gedraging.

6. De onder 1. genoemde gedraging is een overtreding van artikel 26, eerste lid onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit artikel houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Op een gehandicaptenparkeerplaats mag slechts worden geparkeerd:

(…) een motorvoertuig op meer dan twee wielen waarin een geldige gehandicaptenparkeer-kaart duidelijk zichtbaar is aangebracht (…).”

7. Naar het oordeel van het hof staat buiten discussie dat de betrokkene met zijn voertuig heeft geparkeerd op een gehandicaptenparkeerplaats. Voor de vraag of de onderhavige gedraging is verricht is – gelet op artikel 26 RVV 1990 – van belang of er een geldige gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar in het voertuig was aangebracht.

8. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt, naast de in de beschikking vermelde datum, tijd, plaats en het kenteken van het voertuig, onder meer het volgende in:

"Gehandicaptenkaart niet leesbaar!"

9. Voorts bevindt zich bij de stukken een afschrift van de door de betrokkene gebruikte gehandicaptenparkeerkaart. Op de kaart is onder meer – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

''Vervaldatum: 29 januari 2014.

Kaarttype: Bestuurder.
Afgegeven door: Gemeente Ede.
Naam: [naam].
Voornaam: [naam].''

10. Artikel 1 van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart bepaalt in het eerste lid – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – dat voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking kunnen komen bestuurders of passagiers van motorvoertuigen die een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, permanent rolstoelgebonden zijn of andere ernstige beperkingen hebben. Het tweede lid van artikel 1 van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart bepaalt:

''Op de gehandicaptenparkeerkaart wordt met een hoofdletter B aangegeven of het een gehandicapte bestuurder betreft en een hoofdletter P of het een gehandicapte passagier betreft. Een combinatie van beide is mogelijk. (…).''

11. Op de door de betrokkene overgelegde kopie van de gehandicaptenparkeerkaart is te zien dat het kaarttype B betreft, zodat vaststaat dat deze kaart is toegewezen aan een gehandicapte bestuurder, te weten mevrouw [naam]. Hieruit volgt dat de parkeerkaart niet van de betrokkene als bestuurder is, maar – zoals de betrokkene heeft gesteld – dat het de kaart is van zijn moeder. De getoonde parkeerkaart kan derhalve niet worden aangemerkt als een voor de betrokkene geldige gehandicaptenparkeerkaart waarmee door de betrokkene als bestuurder op de gehandicaptenparkeerplaats mocht worden geparkeerd.

12. Nu uit de stukken blijkt dat de verbalisant heeft waargenomen dat de gebruikte gehandicaptenparkeerkaart niet leesbaar was en voorts gebleken is dat de parkeerkaart voor de betrokkene niet geldig was, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de onder 1. genoemde gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er redenen zijn om het bedrag van de sanctie te matigen.

13. Uit artikel 2, derde lid, WAHV blijkt dat de hoogte van de sanctie voor elke zogenoemde Muldergedraging is vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. In deze zaken staat het de rechter niet vrij zich een oordeel te vormen omtrent de hoogte van de door de wetgever vastgestelde tarieven. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van het vastgestelde tarief af te wijken. Dat een verbalisant in de regel niet kan vaststellen of een gehandicaptenparkeerkaart juist wordt gebruik wanneer deze eenmaal achter het raam van een geparkeerd voertuig ligt, levert in onderhavige zaak niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op. Evenmin kan de omstandigheid dat de betrokkene zich niet had gerealiseerd dat het voertuig aan de onderkant van de voorruit was voorzien van een donkere rand, als een zodanig bijzondere omstandigheid gelden. Het hof ziet dan ook geen reden te bepalen dat de sanctie achterwege moet blijven dan wel dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Samplonius als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2014:4734”

  1. Voor zowel bestuurders als passagiers die in aanmerking menen te komen voor een gehandicaptenparkeerkaart geldt dat men ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking moet hebben van langdurige aard. Onder `van langdurige aard’ moet men verstaan: ten minste zes maanden, waar het tijdsbeslag van de afhandelingsprocedure nog moet worden bijgeteld. Hiermee wordt aangesloten op hetgeen binnen het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten is ontwikkeld. Bij de keuring moet voorts rekening gehouden worden met de gebruikelijke loophulpmiddelen welke men ter beschikking heeft.

    De aanvrager moet voorts in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen. De keuring blijft een momentopname. Door ervaring weet de keurende arts over het algemeen heel goed of bij een aanvrager sprake is van `in redelijkheid’. Dit laatste is uiteraard afhankelijk van de in het geding zijnde aandoening of gebrek.

    Om voor een passagierskaart in aanmerking te kunnen komen dient de aanvrager voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder.

    Bij de keuring dient derhalve te worden beoordeeld of de aanvrager afhankelijk is van de hulp van de bestuurder om zich te verplaatsen. Wanneer deze hulp niet noodzakelijk is, komt de aanvrager niet voor een passagierskaart in aanmerking. De hulp die men nodig heeft van de bestuurder maakt het mogelijk om ook voor een passagierskaart een afstand van 100 meter op te nemen. In tegenstelling tot de oude terminologie van `niet of nauwelijks te voet kunnen voortbewegen’ is een afstandscriterium van 100 meter voor de keurende instanties goed meetbaar.

    Voor gehandicapten die ten gevolge van een aandoening of gebrek permanent rolstoelgebonden zijn blijft de mogelijkheid bestaan om voor zowel een bestuurderskaart als een passagierskaart (of beide) in aanmerking te kunnen komen.

    Bron: Toelichting Staatscourant 10 juli 2001, nr. 130 / pag. 12

Reacties zijn gesloten.