ECLI:NL:GHARL:2014:2500

Na doorbreking van het appelverbod komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of de officier van justitie dwangsommen heeft verbeurd aan de betrokkene wegens het niet tijdig beslissen op een verzoek van de betrokkene aan de officier van justitie om vergoeding van proceskosten. Het hof stelt vast dat het verzoek is gedaan, op het moment dat de betrokkene reeds beroep bij de kantonrechter had ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. In de fase van het beroep bij de kantonrechter is deze echter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die aan andere partij in verband met de behandeling van het beroep, het bezwaar of het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de officier van justitie niet meer bevoegd was te beslissen op het verzoek tot vergoeding van proceskosten, kan reeds daarom geen sprake zijn van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag dat aanleiding zou kunnen zijn voor het verbeuren van dwangsommen op de voet van artikel 4:17 van de Awb.

Uitspraak

WAHV 200.118.553
27 maart 2014
CJIB 146791584

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Zutphen
van 4 december 2012
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te Bergen aan Zee,
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
advocaat te Amsterdam.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 30 oktober 2013 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ingevolge voormeld tussenarrest heeft de griffier de gemachtigde van de betrokkene bij schrijven d.d. 12 december 2013 in de gelegenheid gesteld om gebruik te maken van de mogelijkheid het standpunt opnieuw te bepleiten voor de meervoudige kamer.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 maart 2014. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. M.F. Alting.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is op 17 maart 2014 een schrijven van de gemachtigde ontvangen.

Beoordeling

1. Uit de stukken van het geding blijkt de navolgende gang van zaken:

Aan de betrokkene is bij beschikking d.d. 1 november 2010 op grond van de WAHV een administratieve sanctie ter hoogte van € 60,- opgelegd. De betrokkene heeft tegen die beschikking administratief beroep ingesteld. Bij beslissing d.d. 7 maart 2011 heeft de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De betrokkene heeft op 15 april 2011 tegen die beslissing beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De officier van justitie heeft bij brief van 27 oktober 2011 de betrokkene bericht dat hij besloten heeft de inleidende beschikking alsnog te vernietigen. De officier van justitie heeft de betrokkene in deze brief tevens in de gelegenheid gesteld het beroep bij de kantonrechter in te trekken door middel van het bijgevoegde antwoordformulier.

De betrokkene heeft bij brief van 20 december 2011 te kennen gegeven dat hij zijn beroep wil intrekken onder de voorwaarde dat de verzochte proceskosten van € 655,50 conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) worden toegewezen, omdat de gemachtigde [gemachtigde] hem heeft bijstaan.

De betrokkene heeft bij schrijven d.d. 2 april 2012 de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om vergoeding van proceskosten. Bij schrijven d.d. 29 mei 2012, gericht aan de officier van justitie, heeft de betrokkene medegedeeld dat de officier van justitie, gelet op de ingebrekestelling van 2 april 2012, met ingang van 17 april 2012 dwangsommen heeft verbeurd, waarvan het maximum op 28 mei 2012 werd bereikt. Bij dit schrijven wordt verzocht de dwangsommen bij beschikking vast te stellen. Tevens wordt wederom verzocht om een beslissing op zijn verzoek d.d. 20 december 2011 tot vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding.

Bij schrijven d.d. 25 juli 2012 herinnert de betrokkene de officier van justitie aan zijn, betrokkenes, voorgaande brieven van 20 december 2011, 2 april 2012 en 29 mei 2012. Hierbij stelt de betrokkene de officier van justitie in gebreke wegens het niet reageren op het verzoek van 29 mei 2012 tot het bij beschikking vaststellen van de verbeurde dwangsommen en geeft hij de officier van justitie een termijn van 2 weken om alsnog te beslissen. Wederom wordt verzocht om een beslissing op zijn verzoek d.d. 20 december 2011 tot vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding.

De officier van justitie heeft in het schrijven d.d. 31 juli 2012 (in reactie op de brieven van 2 april 2012, 29 mei 2012 en 25 juli 2012) de betrokkene medegedeeld dat het verzoek om proceskostenvergoeding gelijktijdig afgehandeld wordt met de beslissing op het beroepschrift tegen de beschikking. Voorts kent de officier van justitie geen dwangsom toe, omdat de Wet Dwangsom niet van toepassing is op het verzoek om proceskostenvergoeding.

Bij schrijven d.d. 6 augustus 2012 stelt de gemachtigde hiertegen beroep in. Het beroep van de gemachtigde richt zich tegen de afwijzing van het dwangsomverzoek van € 1260,-, alsmede tegen de afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding ter hoogte van € 655,50. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat beide bedragen vermeerderd moeten worden met de wettelijke rente, voor de kostenvergoeding vanaf 14 februari 2012 en voor het dwangsomverzoek vanaf 23 juli 2012.

De officier van justitie reageert met twee brieven d.d. 14 augustus 2012. Het eerste schrijven heeft dezelfde strekking als het schrijven d.d. 31 juli 2012. In het tweede schrijven van de officier van justitie met als onderwerp ‘beslissing op verzoek tot kostenvergoeding’ wordt een proceskostenvergoeding van € 109,25 aangeboden.

Bij schrijven d.d. 16 augustus 2012 heeft de gemachtigde te kennen gegeven dat hij het niet eens is met de hoogte van de proceskostenvergoeding en met de afwijzing van de gevraagde dwangsom. De gemachtigde wijst er tevens op dat hij reeds bij schrijven van 6 augustus 2012 beroep bij de kantonrechter heeft ingesteld.

De officier van justitie heeft de stukken bij schrijven d.d. 22 augustus 2012 doorgezonden aan de griffie van de rechtbank. Bij schrijven d.d. 22 augustus 2012 wordt aan de gemachtigde door de officier van justitie medegedeeld dat de inleidende beschikking is vernietigd en dat de stukken zijn doorgezonden naar de rechtbank.

De kantonrechter heeft vervolgens bij beslissing van 4 december 2012 de beslissing van de officier van justitie d.d. 14 augustus 2012 met betrekking tot toekenning van proceskosten vernietigd en bepaald dat de officier van justitie wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 327,75. Voorts heeft de kantonrechter de gevraagde dwangsom afgewezen.

2. Artikel 14 WAHV bepaalt in welke gevallen hoger beroep van de beslissing van de kantonrechter openstaat bij het hof. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan € 70,-, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 11, derde lid, WAHV. Geen van beide situaties doet zich hier voor. Voor de opvatting van de raadsman, dat de appelgrens slechts van toepassing is wanneer sprake is van een bestaande (niet vernietigde of ingetrokken) sanctie, bieden de tekst en de ontstaansgeschiedenis van de wet geen enkel aanknopingspunt.

3. Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat er in een geval als het onderhavige in beginsel geen hoger beroep mogelijk is.

4. De betrokkene klaagt erover dat hij geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen en daardoor zijn bezwaar niet heeft kunnen toelichten. Naar het hof begrijpt stelt de betrokkene zich op het standpunt dat zijn recht op hoor en wederhoor hierdoor is geschonden.

5. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appèlverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV is gewettigd. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor kan sprake zijn indien een partij niet behoorlijk is opgeroepen om te worden gehoord en de rechter niettemin een beslissing in de zaak van die partij neemt.

6. Het hof stelt voorop dat de kantonrechter op de voet van artikel 13 van de WAHV een beslissing had dienen te nemen op het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie van 7 maart 2011, aangezien de betrokkene dat beroep niet heeft ingetrokken. Daarnaast had de kantonrechter het verzoek tot vergoeding van proceskosten moeten behandelen als een verzoek op voet van artikel 13a WAHV. Voorts volgt uit artikel 12, eerste lid, van de WAHV dat de kantonrechter, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid moet stellen om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten door hen op te roepen voor die zitting.

7. Uit de stukken blijkt niet dat partijen zijn opgeroepen voor een zitting. Derhalve is sprake van een zodanige schending van het beginsel van hoor en wederhoor dat het appelverbod van artikel 14, eerste lid, WAHV moet worden doorbroken. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten: een beslissing nemen op het tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 7 maart 2011 ingestelde beroep, alsmede op de verzoeken tot vaststelling van een proceskostenvergoeding en tot vaststelling van de door de officier van justitie verschuldigde dwangsom wegens niet tijdig beslissen.

8. Het hof zal het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie van 7 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de betrokkene geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn beroep. Immers, nu de officier van justitie de inleidende beschikking heeft vernietigd, is bewerkstelligd hetgeen de betrokkene met zijn beroep beoogt te verkrijgen.

9. Met betrekking tot de verschuldigdheid van dwangsommen overweegt het hof het volgende.

10. Artikel 1:3 van de Awb houdt in, voor zover hier van belang:

"1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
 2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
 3.Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen."

11. Artikel 4:17 van de Awb houdt in, voor zover hier van belang:

"1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. (…).
 2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag.
 3. De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking zijn verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen."

12. Artikel 4:18 van de Awb houdt in:

"Het bestuursorgaan stelt de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was."

13. Uit de systematiek van artikel 1:3 van de Awb volgt dat van een “beschikking op aanvraag” slechts sprake kan zijn indien het verzoek is gericht tot een orgaan dat een wettelijke bevoegdheid toekomt om aan het verzoek te voldoen (verg. ABRvS 13 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC4253).

14. Uit de artikelen 13a en 13b van de WAHV vloeit voort dat in de fase van het beroep bij de kantonrechter deze bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die aan andere partij in verband met de behandeling van het beroep, het bezwaar of het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de betrokkene reeds op 15 april 2011 beroep had ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep en daarmee de fase van het beroep bij de kantonrechter was aangevangen, was de officier van justitie niet meer bevoegd te beslissen op het verzoek van de betrokkene van 20 december 2011 tot vaststelling van de proceskostenvergoeding. De enkele omstandigheid dat de officier van justitie na het instellen van beroep bij de kantonrechter in het kader van de herbeoordeling op de voet van artikel 11, eerste en tweede lid, van de WAHV de mogelijkheid heeft de inleidende beschikking alsnog te vernietigen, maakt dat niet anders.

15. Anders dan de gemachtigde meent, kan in de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (kosten bestuurlijke voorprocedures) geen argument worden gevonden voor de bevoegdheid van de officier van justitie om in de fase van het beroep bij de kantonrechter te beslissen omtrent de vergoeding van proceskosten. De passages waar de gemachtigde op doelt zien op de bevoegdheid van het bestuursorgaan om bij de beslissing op het bezwaar- of beroepschrift tevens een beslissing te nemen ten aanzien van de vergoeding van proceskosten. Dat stadium was echter ruimschoots gepasseerd ten tijde van het verzoek op 20 december 2011.

16. Nu de officier van justitie niet (meer) bevoegd was te beslissen op het verzoek tot vergoeding van proceskosten, kan reeds daarom geen sprake zijn van het niet tijdig geven van een beschikking op aanvraag dat aanleiding zou kunnen zijn voor het verbeuren van dwangsommen op de voet van artikel 4:17 van de Awb. De officier van justitie was slechts gehouden het verzoek tezamen met het reeds op 15 april 2011 door de betrokkene ingediende beroepschrift en de overige op de zaak betrekking hebbende stukken op de voet van artikel 11, eerste lid, van de WAHV door te zenden naar de kantonrechter.

17. De officier van justitie heeft in reactie op de ingebrekestelling van 2 april 2012 en op het verzoek van 29 mei 2012 tot vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij brief van 31 juli 2012 aan de betrokkene medegedeeld dat het verzoek om een proceskostenvergoeding het beroepschrift volgt en dat de kantonrechter hierover een beslissing dient te nemen, alsmede dat geen dwangsommen zijn verschuldigd. Voorts is aan de betrokkene medegedeeld dat hij tegen deze beslissing in beroep kon gaan bij de kantonrechter, hetgeen de betrokkene bij faxbericht van 6 augustus 2012 heeft gedaan.

18. Het hof stelt vast dat de rechtsmiddelverwijzing in de brief van de officier van justitie van 31 juli 2012 geen betrekking kan hebben op de mededeling omtrent de proceskosten, aangezien deze mededeling slechts van feitelijk aard is en geen besluit inhoudt. Het bij de kantonrechter ingestelde beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep heeft, gelet op artikel 4:19, eerste lid, van de Awb, mede betrekking op de beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom, voor zover de betrokkene deze beschikking betwist. In dit opzicht is de rechtsmiddelverwijzing evenmin juist.

19. Gelet op hetgeen hiervoor onder 18 is overwogen, kunnen de brieven van de officier van justitie van 14 augustus 2012 met als onderwerp respectievelijk “ingebrekestelling m.b.t. kostenvergoeding” en “beslissing op verzoek tot kostenvergoeding” niet anders worden verstaan dan als een schriftelijk standpunt van de officier van justitie met betrekking tot de door de kantonrechter te geven beslissingen. Dat ook deze brieven zijn voorzien van een rechtsmiddelverwijzing verstaat het hof daarom ook als een kennelijke misslag.

20. Gelet op hetgeen hiervoor onder 14 tot en met 16 is overwogen, heeft de officier van justitie bij besluit van 31 juli 2012, zij het op onjuiste gronden, terecht vastgesteld dat geen dwangsommen aan de betrokkene zijn verbeurd. Het hof zal die beslissing daarom met verbetering van de gronden handhaven en het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaren.

21. In hoger beroep staat slechts de beslissing van de kantonrechter ter beoordeling van het hof. Het hof kan reeds om die reden niet toekomen aan de beoordeling van de – bij faxbericht van 13 augustus 2013 toegezonden – verzoeken die de gemachtigde na de beslissing van de kantonrechter aan de officier van justitie heeft gericht.

22. Nu de betrokkene gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, zijn er termen aanwezig om door de betrokkene gemaakte kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden.

23. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht die voor vergoeding in aanmerking komen: het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie en bij de kantonrechter, het indienen van een hoger beroepschrift en het verschijnen ter terechtzitting van het hof (tweemaal). Ingevolge de Bijlage bij het toepasselijke Besluit proceskosten bestuursrecht wordt aan het indienen van de beroepschriften en het verschijnen ter terechtzitting telkens 1 punt toegekend. Het hof zal derhalve 5 punten toekennen. De waarde per punt bedraagt € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Het hof zal de advocaat-generaal derhalve veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.217,50 (5 x € 487,- x 0,5).

24. Ten overvloede merkt het hof nog het volgende op. De vaststelling dat in de fase van het beroep bij de kantonrechter deze bij uitsluiting bevoegd is te beslissen op een verzoek tot proceskostenvergoeding, staat er niet aan in de weg dat de officier van justitie, wanneer hij in het beroepschrift aan de kantonrechter aanleiding ziet om alsnog de inleidende beschikking te vernietigen, alvorens de stukken naar de kantonrechter te zenden de betrokkene een vergoeding voor de gemaakte proceskosten aanbiedt en hem in de gelegenheid stelt het beroep bij de kantonrechter in te trekken. Indien de officier van justitie en de betrokkene het eens zijn over de hoogte van de vergoeding, kan een onnodige gang naar de kantonrechter worden voorkomen.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 7 maart 2011 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 31 juli 2012, inhoudende dat geen dwangsommen aan de betrokkene zijn verbeurd, ongegrond;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.217,50.

Dit arrest is gewezen door mrs. Sekeris, Van Schuijlenburg en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. De Ruijter als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.