ECLI:NL:GHARL:2014:137

Gronden van het beroep en wanneer op grond van artikel 6:5 juncto 6:6 Awb wel of niet de verplichting bestaat de indiener in de gelegenheid te stellen binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven. Het hof herhaalt de overwegingen uit zijn arrest van 12 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:195). De door de kantonrechter gegeven motivering kan diens beslissing om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen niet dragen. In deze zaak wordt zijn beslissing echter slechts vernietigd voor zover daarbij geen vergoeding voor proceskosten is toegekend. De officier van justitie heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard nu de verzuimbrief in strijd met 6:17 Awb niet naar de gemachtigde is gezonden. Proceskostenvergoeding.

Uitspraak

WAHV 200.138.248
13 januari 2014
CJIB 159817835
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Limburg
van 14 november 2013
betreffende
[naam] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats],
voor wie als gemachtigde optreedt mr. C.M.J.E.P. Meerts,
kantoorhoudende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie het beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard en heeft met gegrondverklaring van het beroep de beslissing van de officier van justitie vernietigd. Vervolgens heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking beoordeeld en dat beroep ongegrond verklaard. De kantonrechter heeft het kostenverzoek dat door de gemachtigde is gedaan afgewezen, omdat – kort gezegd – de inhoud en omvang van de door de gemachtigde verrichte handelingen zo gering zijn geweest dat het inschakelen van een professioneel gemachtigde door de betrokkene in het geheel overbodig was.

2. De vernietiging van de beslissing van de officier van justitie is door de kantonrechter als volgt gemotiveerd: “De kantonrechter begrijpt uit het arrest van het gerechtshof Leeuwarden met nummer WAHV 200.104.727 d.d. 8 oktober 2012 (het hof merkt op: niet gepubliceerd arrest), dat, indien de gedraging wordt ontkend/betwist door betrokkene er geen verdere (aanvullende) beroepsgronden meer hoeven te worden aangevoerd en betrokkene aldus niet meer in de gelegenheid hoeft te worden gesteld om binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) beroepsgronden in te dienen.” De gemachtigde van de betrokkene had aangevoerd, dat een verzoek om de gronden van het beroep aan te voeren hem nimmer had bereikt en op dit – door hem overgelegde – arrest een beroep gedaan om aan te geven dat in het onderhavige geval ook geen aanleiding bestond om de gronden van het beroep op te vragen.

3. Bij beslissing van 14 augustus 2012 heeft de officier van justitie het tegen de inleidende beschikking ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzuim om de gronden van het beroep op te geven niet binnen de daartoe gestelde termijn is hersteld.

4. Het door de gemachtigde aangehaalde arrest van 8 oktober 2012 kenmerkt zich door de volgende gegevens. Het beroepschrift tegen de inleidende beschikking bevatte slechts als grond van het beroep dat de gedraging door de betrokkene werd ontkend. Nog vóór de beslissing van de officier van justitie op het beroep werd door de gemachtigde daartegen beroep ingesteld onder vermelding van aanvullende gronden. De brief met de aanvullende gronden is aangemerkt – conform het daarin gestelde – als beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Door de gemachtigde werd gesteld dat de beslissing van de officier van justitie diende te worden vernietigd, omdat de gemachtigde niet in de gelegenheid was gesteld de gronden van het beroep op te geven. In dat kader heeft het hof overwogen, dat ook de loutere ontkenning van de gedraging te beschouwen is als een grond en dat voor de officier van justitie geen verplichting bestond om op grond van artikel 6:5 juncto artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid te stellen om binnen een daartoe gestelde termijn (nadere) gronden op te geven, terwijl de nader aangevoerde gronden in de procedure bij de kantonrechter aan de orde zijn gekomen.

5. Met de gronden van het beroep worden de redenen bedoeld die de indiener heeft om een besluit vernietigd, gewijzigd of herroepen te krijgen. Als zodanig is ook de enkele ontkenning dat de gedraging is begaan een grond, zij het in het algemeen niet licht leidend tot vernietiging van de inleidende beschikking. In zoverre is de stelling van de gemachtigde dat het beroepschrift tegen de inleidende beschikking een grond bevat juist. Hij verbindt daaraan de conclusie dat de officier van justitie ten onrechte wegens het verzuim om de gronden van het beroep op te geven het ingestelde beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De kantonrechter heeft de gemachtigde van de betrokkene daarin gevolgd. Het hof acht dit onjuist op grond van het navolgende.

6. Het hof stelt – voor zover van belang – het volgende vast.

Bij beschikking van 6 maart 2012 is aan de betrokkene een sanctie opgelegd, waarna de gemachtigde van de betrokkene bij faxbericht van 20 maart 2012 beroep heeft ingesteld. In het beroepschrift geeft de gemachtigde – zakelijk weergegeven – op dat hij namens de betrokkene pro forma beroep instelt, dat de verweten gedraging (impliciet en expliciet) wordt ontkend en dat hij de gronden van het beroep op een later moment zal aanvoeren.

7. Indien een betrokkene of diens gemachtigde aangeeft dat het gaat om een pro forma ingesteld beroep en dat het beroep nader zal worden gemotiveerd (al dan niet na ontvangst van gevraagde stukken) dient de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid te worden gesteld de gronden van het beroep op te geven binnen een daartoe gestelde termijn. In het geval niet is voldaan aan dit vereiste kan op grond van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Daaraan kan niet afdoen, dat in het als pro forma gekenschetste beroepschrift iets wordt aangevoerd, dat op zichzelf beschouwd ook als een grond kan worden beschouwd.

8. Bij brief van 13 juni 2012, gericht aan de betrokkene, stelt de officier van justitie vast dat de gronden van het beroep ontbreken en dat hij in verzuim is. Vervolgens stelt de officier van justitie hem in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van de brief en wijst op de gevolgen van het niet (tijdig) verstrekken van de gronden van het beroep.

Bij beslissing van 14 augustus 2012 heeft de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

9. Het kenmerkende verschil in deze zaak met het in de motivering van de kantonrechter genoemde arrest is, dat in die zaak kennelijk door de officier van justitie is verzuimd de (gemachtigde van de) betrokkene in de gelegenheid te stellen om (nadere) gronden in te dienen, zodat het in artikel 6:6 Awb genoemde gevolg ook niet kon intreden. Om die reden kan de door de kantonrechter gegeven motivering diens beslissing om de beslissing van de officier van justitie te vernietigen niet dragen.

10. Toch kan de beslissing van de officier van justitie niet in stand blijven.

Artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat indien iemand zich laat vertegenwoordigen, het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebben stukken in ieder geval aan de gemachtigde toezendt.

Bij de stukken van het geding ontbreekt een afschrift van de verzuimbrief als vermeld in overweging 8 gericht aan de gemachtigde van de betrokkene.

Nu op grond daarvan moet worden aangenomen dat de gemachtigde niet in staat is gesteld de gronden van het beroep op te geven, heeft de officier van justitie ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter kan dus in zoverre, zij het op een andere grond, in stand blijven.

11. De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter aangevoerd, dat deze niet had mogen volstaan met te verwijzen naar eerdere uitspraken, waarin het beroep op détournement de pouvoir is verworpen, gelet op de nieuw aangevoerde argumenten bij dit beroep, ondersteund door de Nationale Ombudsman tijdens de persconferentie naar aanleiding van zijn jaarverslag, het advies van de Raad van State van 2 december 2011 en een interview van mr. Koos Spee met RTL-nieuws op 11 februari 2012.

12. Het hof ziet in de omstandigheid, dat de visie van de gemachtigde wordt ondersteund door de in het beroep weergegeven instanties en personen geen aanleiding om nu terug te komen op het eerder ingenomen standpunt (o.m. in Hof Leeuwarden d.d. 17 november 2010, niet gepubliceerd, ECLI:NL:GHLEE:2010:2376), zoals in de kern verwoord in overweging 2.6. van het vonnis van de kantonrechter. De beslissing van de kantonrechter zal derhalve worden bevestigd, behoudens het navolgende.

13. De gemachtigde maakt voorts bezwaar tegen het niet toekennen van een proceskostenvergoeding door de kantonrechter, terwijl de beslissing van de officier van justitie niet in stand kon blijven.

14. Het te dezen toepasselijke artikel 13a, eerste lid, eerste volzin, WAHV, voor zover hier van belang, bepaalt dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Dit brengt mee dat de kantonrechter een zekere beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding moet worden ingewilligd. Anderzijds kan niet uit het oog worden verloren dat de regeling van de proceskostenvergoeding is ingegeven door de gedachte dat indien een betrokkene proceskosten heeft moeten maken met het oog op het bij een administratieve beroepsinstantie of rechterlijke instantie aanvechten van een beslissing, en die aangevochten beslissing vervolgens – al dan niet ambtshalve – door die instantie geheel of gedeeltelijk ongedaan wordt gemaakt, het niet redelijk is om de proceskosten voor rekening van de betrokkene te laten blijven.

15. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd, omdat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Derhalve is de betrokkene door de kantonrechter in het gelijk gesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in een zodanig geval aanleiding bestaat voor inwilliging van het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding. Dat is slechts anders indien geoordeeld zou moeten worden dat er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Dat is hier niet aan de orde.

16. Het vorenstaande brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding is afgewezen, niet in stand kan blijven. Het hof zal, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, bepalen dat aan de betrokkene een proceskostenvergoeding wordt toegekend van € 487,-. Dit bedrag betreft de kosten van door de gemachtigde in de fase van het beroep bij de officier van justitie en in de fase van het beroep bij de kantonrechter beroepsmatig verleende rechtsbijstand, een en ander overeenkomstig hetgeen in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage is bepaald. De gemachtigde heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie en het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter. De waarde per punt bedraagt €487,-.

Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak is licht) toe.

17. Nu de betrokkene deels in het gelijk wordt gesteld komt het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de proceskosten, gemaakt in hoger beroep, voor inwilliging in aanmerking. Deze kosten bedragen € 121,75. Dit bedrag betreft de kosten van door de gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, een en ander overeenkomstig hetgeen in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage is bepaald. De gemachtigde heeft de volgende proceshandeling verricht: het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van het hoger beroepschrift moet een punt worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 487,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak is zeer licht) toe.

18. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen moet worden beslist als volgt.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij geen vergoeding voor proceskosten is toegekend;
  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
  • veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 608,75.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Kuiper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.