ECLI:NL:GHARL:2014:1236

Vervolg na tussenarrest van 7 oktober 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:7354). Artikel 3, tweede lid, WAHV. Bij registercontrole door de RDW kan het hof niet vaststellen dat de administratieve sanctie is opgelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar. De RDW vermeldt bij registercontroles de verbalisantcode 404040. Uit deze code kan niet worden afgeleid welke opsporingsambtenaar de administratieve sanctie in het voorliggende geval heeft opgelegd. Volgens de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften mogen ook bij registercontroles alleen daartoe bevoegde ambtenaren een administratieve sanctie opleggen.

Uitspraak

WAHV 200.119.209
20 februari 2014
CJIB 156258696
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 2 oktober 2012
betreffende
[de betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [de gemachtigde],
wonende te [plaats].

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 7 oktober 2013 (ECLI:NL:GHARL:2013:7354) wordt hier overgenomen en geacht te zijn ingevoegd.

Het verdere procesverloop

Op 13 december 2013 is aanvullende informatie van de advocaat-generaal ingekomen. Dit betreft een ongedateerd schrijven met bijlagen van [naam], Unitmanager Handhaving, afdeling Registratie en Informatie bij de RDW te Veendam.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld hierop een reactie te geven. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Zoals het hof reeds heeft gesteld in het tussenarrest, zijn ingevolge artikel 3, tweede lid, van de WAHV de in het eerste lid bedoelde ambtenaren bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.

2. In het onderhavige geval is een sanctie opgelegd ter zake van een op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging, waarbij in het zaakoverzicht de verbalisantcode 404040 is vermeld. In het hoger beroepschrift heeft de officier van justitie gesteld dat de verbalisantcode 404040 wordt toegepast om onderscheid te kunnen maken tussen een geautomatiseerd proces en een handeling van een buitengewoon opsporingsambtenaar van de RDW. Bij het tussenarrest heeft het hof de advocaat-generaal verzocht de vraag te beantwoorden of in dit geval, alsmede in hiermee vergelijkbare gevallen, de sanctie is opgelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar in de zin van voormelde bepaling.

3. Naar aanleiding hiervan heeft de advocaat-generaal bovengenoemd schrijven met bijlagen van [naam] in het geding gebracht.

4. Het hof heeft op grond van deze informatie evenwel niet kunnen vaststellen dat de onderhavige sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van voormeld wetsartikel is opgelegd. Uit het schrijven van [naam] begrijpt het hof dat uit de verbalisantcode 404040 niet kan worden herleid welke opsporingsambtenaar in een concreet geval daadwerkelijk de gedraging heeft vastgesteld op basis van controle van het geautomatiseerde proces en vervolgens ter zake hiervan een administratieve sanctie heeft opgelegd. [naam] stelt (enkel) dat hij de hoedanigheid van buitengewoon opsporingsambtenaar bezit en dat hij gekoppeld is aan, en (naar het hof begrijpt op grond van zijn functie als Unitmanager Handhaving) verantwoordelijk is voor, de zaken met verbalisantcode 404040. Ook nadat van de zijde van de advocaat-generaal hier expliciet naar is gevraagd, is echter niet de vraag beantwoord welke opsporingsambtenaar ter zake van de onderhavige gedraging een administratieve sanctie heeft opgelegd.

5. Het voorgaande leidt er toe dat niet is komen vast te staan dat de sanctie door een daartoe bevoegde ambtenaar is opgelegd. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking, waarbij die sanctie is opgelegd, niet in stand kan blijven. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking dan ook terecht vernietigd, zij het op andere gronden. Het hof zal die beslissing daarom bevestigen, met verbetering van gronden.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Van Schuijlenburg en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

4 gedachten over “ECLI:NL:GHARL:2014:1236”

  1. Het arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2855, verwijst naar dit arrest.
    In deze zaak is de overtreding/gedraging met een trajectcontrole geconstateerd.

    8. De betrokkene heeft de conclusie van de advocaat-generaal weersproken. Hij stelt zich op het standpunt dat de overtreding elektronisch, zonder tussenkomst van een daartoe bevoegde ambtenaar, is geconstateerd. Dat is wat de betrokkene betreft in strijd met het arrest van het hof van 20 februari 2014, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2014:1236). Dit brengt mee dat de sanctie niet door een bevoegde ambtenaar is opgelegd, aldus betrokkene.

    Geen rechtsregel schrijft voor dat de ambtenaar, die de sanctie oplegt middels een trajectcontrole, handmatig de juistheid zou moeten toetsen en afzonderlijk en individueel moet beslissen tot sanctieoplegging. De sanctieoplegging moet aan een ambtenaar kunnen worden toegerekend (ECLI:NL:GHARL:2014:4324)

  2. Onderhavig arrest heeft tot veel vertraging geleid. Zie onder meer het arrest van 16 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:1315.

    11. Ook de klacht dat het Openbaar Ministerie ten onrechte om uitstel van de zaak heeft gevraagd, zal het hof niet honoreren. Uit het dossier blijkt dat de CVOM naar aanleiding van het arrest van het hof van 20 februari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:1236) om aanhouding heeft verzocht van de behandeling van alle zaken, waaronder de onderhavige, waarbij sprake is van een automatische registercontrole met vermelding van verbalisantcode 404040. De kantonrechter heeft het verzoek ingewilligd.

    In artikel 11 van de WAHV is weliswaar bepaald dat de op de zaak betrekking hebbende stukken door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis worden gebracht binnen zes weken nadat de indiener van het beroepschrift zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken, maar dit betreft geen fatale termijn. De wetgever heeft aan een overschrijding van die termijn geen gevolg verbonden.

  3. ECLI:NL:GHARL:2014:4324
    Het openbaar ministerie heeft in ECLI:NL:GHARL:2014:4324 nadere informatie verschaft over de werkwijze bij het vaststellen van het onverzekerd zijn van voertuigen en het hiervoor opleggen van sancties aan de kentekenhouders. Op grond van deze nadere informatie heeft het hof vastgesteld, dat het verwerkingsproces bij de op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedraging “niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden” zodanig is ingericht dat het opleggen van de boetes aan een bevoegde ambtenaar kan worden toegerekend. Op basis van deze informatie komt het hof thans tot het oordeel dat de opgelegde sanctie door een bevoegde ambtenaar in de zin van artikel 3, tweede lid, WAHV is opgelegd.

    1. In het arrest van 7 februari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:935, geeft het hof aan nadere uitleg op het arrest van 5 juni 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4324.
      In arrest ECLI:NL:GHARL:2014:4324 is vastgesteld dat de werkwijze ten aanzien van WAM-zaken zo is ingericht, dat het opleggen van WAM-sancties aan de aangewezen ambtenaar [X] kan worden toegerekend. De betrokkene stelt echter dat het vanwege het grote aantal overtredingen onwaarschijnlijk is dat [X] deze alle zelf geconstateerd heeft. [X] ondertekent slechts de door het geautomatiseerde systeem geproduceerde brieven zonder weet te hebben van de inhoud van de zaken. De betrokkene concludeert daarom dat sancties als deze niet terug te leiden zijn tot een bevoegde opsporingsambtenaar, terwijl de wet dat wel eist. Pas bij een eventuele beroepsprocedure wordt daadwerkelijk door een opsporingsambtenaar onderzocht (en eventueel vastgesteld) of de gedraging is verricht. De stelling van de betrokkene komt er in de kern op neer dat het vereiste in artikel 3 van de WAHV, zo moet worden uitgelegd dat een ambtenaar telkens in iedere zaak afzonderlijk tot sanctieoplegging moet beslissen. Het hof volgt deze redenering niet. Het hof heeft in het door de gemachtigde aangehaalde arrest overwogen dat de WAHV niet eist dat bij op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen waarbij geen bijzondere omstandigheden gebleken zijn en geen nadere beoordeling is vereist, een aangewezen ambtenaar afzonderlijk en individueel beslist tot sanctieoplegging. In zodanig geval is slechts vereist dat de sanctieoplegging aan de aangewezen ambtenaar kan worden toegerekend.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *