ECLI:NL:GHARL:2013:7354

Het hof stelt vragen over de betrokkenheid van een opsporingsambtenaar bij het opleggen van een administratiefrechtelijke sanctie bij registercontroles van de RDW.

Uitspraak

WAHV 200.119.209
7 oktober 2013
CJIB 156258696
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
locatie Leeuwarden

Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 2 oktober 2012
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
wonende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam genomen beslissing gegrond verklaard en de inleidende beschikking vernietigd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De officier van justitie heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De gemachtigde van de betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Het hoger-beroepschrift van de officier van justitie bevat onder punt 6 van “Overwegingen en gronden van het beroep” onder meer de volgende passage:

“Voorts acht de officier van justitie nog het volgende van belang. Door de officier van justitie zijn naar aanleiding van de beslissing van de kantonrechter te Amsterdam nadere vragen gesteld aan [naam medewerker], Unitmanager Handhaving van de RDW. Die heeft in reactie onder meer aangegeven dat net als bij de registercontroles met betrekking tot de keuringsplicht van een voertuig, ook bij registercontroles met betrekking tot de verzekeringsplicht geen proces-verbaal wordt opgemaakt. De vaststelling van de overtreding gebeurt door middel van registervergelijking. Dit houdt in dat er op een geautomatiseerde wijze wordt gecontroleerd of er op het moment van de controle verzekeringsgegevens bekend en geregistreerd staan. Wanneer dit niet het geval is, krijgt de kentekenhouder een vorderingsbrief waarin hem of haar gevraagd wordt om aan te tonen dat het voertuig ten tijde van de controle wel verzekerd was. De kentekenhouder krijgt dan de gelegenheid om binnen zes weken een zogenoemde 34-WAM-verklaring over te leggen. Stuurt de kentekenhouder in die periode niet zo’n dergelijke verklaring op, dan wordt de zaak overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau en krijgt de kentekenhouder een beschikking toegezonden. Gedurende het gehele traject houdt de RDW een dossier bij van de overtreding. In dit dossier zijn de brieven en contact momenten met een kentekenhouder vastgelegd. Alle dossiers worden door de buitengewoon opsporingsambtenaren van de afdeling Registratie en informatie RDW op de Unit Handhaving nagekeken en gecontroleerd op volledigheid en kwaliteit. De dossiers kunnen worden opgevraagd. Verder is door[naam medewerker] aangegeven dat de verbalisantencode 404040 zoals weergegeven in het zaakoverzicht, is gekozen om aan te kunnen geven en onderscheid te kunnen maken tussen een geautomatiseerd proces (zoals registercontrole) en een handeling van één van de buitengewoon opsporingsambtenaren van de RDW.”

2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de WAHV, zijn de in het eerste lid van dit artikel bedoelde ambtenaren bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt. Uit het dossier zoals dit aan het hof is overgelegd heeft het hof niet kunnen afleiden of de administratieve sanctie is opgelegd door een hiertoe bevoegde ambtenaar in vorenbedoelde zin. Gelet op de hiervoor onder 1. aangehaalde vermelding van de verbalisantcode 404040 in het zaakoverzicht, welke code ook in dit dossier voorkomt, wenst het hof door de advocaat-generaal te worden voorgelicht omtrent de vraag of de onderhavige sanctie is opgelegd door een hiertoe bevoegde ambtenaar. Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst het hof antwoord op de vraag wie deze ambtenaar is en waarop diens bevoegdheid stoelt. Voorts wenst het hof meer in algemene zin te worden voorgelicht over de vraag hoe ingeval van geautomatiseerde controle in afzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld aan de hand van het zaakoverzicht, de identiteit van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld aan de hand van een verbalisantcode, alsmede op welke wijze kan worden geverifieerd wat de aard van de bevoegdheid (algemene/bijzondere opsporingsbevoegdheid) is van de betreffende ambtenaar tot het opleggen van een administratieve sanctie.

3. Het hof verzoekt de advocaat-generaal deze vragen te beantwoorden, zo veel mogelijk onder overlegging van de daarbij behorende stukken, binnen een termijn van zes weken na dagtekening van dit arrest.

4. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • draagt de advocaat-generaal op om binnen zes weken na dagtekening van dit arrest de gevraagde informatie te verstrekken;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Schuijlenburg en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Eén gedachte over “ECLI:NL:GHARL:2013:7354”

Reacties zijn gesloten.