ECLI:NL:CRVB:2010:BO1706

Op grond van artikel 2:1, tweede lid, kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. De CRvB is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat appellant in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat kennis uit voorafgaande procedures er niet aan in de weg staat dat appellant ten aanzien van bezwaarschriften de strikte lijn volgt dat op grond van een schriftelijke machtiging dient vast te staan dat de beweerdelijk vertegenwoordigde wenst dat bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig het ingediende bezwaarschrift. De Raad heeft bij het vorenstaande onder meer betrokken hetgeen is overwogen in de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 juni 2001, LJN AB2227.

Uitspraak

09/6039 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2009, 08/633 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[brtrokkene] wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 3 september 2010, waar partijen, appellant met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 6 november 2007 heeft appellant een verzoek van betrokkene om schadevergoeding, ingediend door mr. J. Rossel, werkzaam bij de Stichting Belastingwinkel Amsterdam, afgewezen.

1.2. Tegen dat besluit is bij brief van 18 december 2007 door R. Letschert, werkzaam bij de Stichting Belastingwinkel Amsterdam, bezwaar gemaakt. Zij stelt namens betrokkene te handelen, maar voegt geen schriftelijke machtiging van betrokkene bij.

1.3. Bij brief van 24 december 2007, gericht aan de Stichting Belastingwinkel Amsterdam heeft appellant Letschert verzocht binnen 2 weken een machtiging op te sturen. In geval van niet tijdige toezending, kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Het bezwaarschrift zal pas na ontvangst van een machtiging verder in behandeling worden genomen.

1.4. Bij brief van 28 januari 2008 heeft appellant zich tot betrokkene gewend met de mededeling dat op de brief van 24 december 2007 en op de telefonische herhaling van het daarin gedane verzoek geen reactie is ontvangen. Betrokkene wordt in de gelegenheid gesteld binnen 14 dagen hetzij een machtiging in te zenden waarin Letschert of de belastingwinkel wordt gemachtigd voor haar deze procedure te voeren dan wel aan te geven dat zij zelf de procedure verder wenst te voeren.

In geval van niet tijdige reactie zal het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard.

1.5. Bij besluit van 15 februari 2008 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit berust op de overweging dat niet binnen de gestelde termijn is voldaan aan het verzoek om toezending van een machtiging.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 februari 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de rechtbank is overwogen. Tevens heeft de rechtbank beslist dat appellant het door betrokkene betaalde griffierecht dient te vergoeden.

2.2. Naar het oordeel van de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 11 juni 2008, LJN BD3615 – had het in dit geval in de rede gelegen het verzoek om een schriftelijke machtiging achterwege te laten. Gesteld noch gebleken is dat appellant twijfelt of de Stichting Belastingwinkel Amsterdam de belangen van betrokkene behartigt aangezien mr. Rossel in een eerdere procedure van betrokkene als haar gemachtigde is opgetreden. Voorts heeft appellant ter zitting van de rechtbank verklaard dat aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Letschert niet wordt getwijfeld, doch dat in bezwaar standaardmatig om een machtiging wordt gevraagd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Op grond van het tweede lid van dat artikel kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Appellant was derhalve bevoegd van Letschert een schriftelijke machtiging te verlangen toen zij zich in de brief van 18 december 2007 als gemachtigde van betrokkene presenteerde.

4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat appellant in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat kennis uit voorafgaande procedures er niet aan in de weg staat dat appellant ten aanzien van bezwaarschriften de strikte lijn volgt dat op grond van een schriftelijke machtiging dient vast te staan dat de beweerdelijk vertegenwoordigde wenst dat bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig het ingediende bezwaarschrift. De Raad heeft bij het vorenstaande onder meer betrokken hetgeen is overwogen in de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 juni 2001, LJN AB2227.

4.3. Voorts merkt de Raad op dat appellant heeft gehandeld conform het Reglement behandeling bezwaarschriften Uwv 2007, dat betrokkene is gewezen op de mogelijkheid van een niet-ontvankelijkverklaring en zij desondanks niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek van 28 januari 2008 om binnen 14 dagen een machtiging over te leggen.

4.4. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en het bij de rechtbank ingediende beroep ongegrond te worden verklaard.

4.5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

  • Vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J.W. Schuttel en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

CVG

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *