ECLI:NL:CRVB:2009:BI3772

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Ingevolge artikel 3:309 van het BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Aansluiting zoekend bij dit artikel is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand als hier aan de orde aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten en omstandigheden waaruit voldoende kan worden afgeleid dat ten onrechte bijstand is verleend en dat een besluit tot terugvordering zal volgen. Nu bij uitspraak van de rechtbank in rechte is komen vast te staan dat betrokkene binnen vijf jaar bekend is geworden met het besluit van 27 februari 2003 moet worden geconcludeerd dat de vordering over de periode van 27 februari 1998 tot en met 22 december 1998, ten tijde in geding niet was verjaard.

Uitspraak

07/6631 WWB
09/1461 WWB

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2007, 07/981 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant

Datum uitspraak: 21 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B.A. Fijma, advocaat te Zwijndrecht, een verweerschrift, tevens inhoudende een incidenteel beroepschrift (bij de Raad geregistreerd onder nummer 09/1461), ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. van den Heijden-Wijnen, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Voor betrokkene is niemand verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Aan betrokkene is met ingang van 9 oktober 1997 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 22 januari 1999 zijn betrokkene en haar echtgenoot [naam echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]) aangehouden op verdenking van verzwegen voortzetting van de samenwoning. De bijstand van betrokkene is daarop bij besluit van 27 januari 2000 met ingang van 1 februari 1999 beëindigd (lees: ingetrokken).

1.2. Bij besluit van 27 februari 2003 is de bijstand van betrokkene over de periode van 9 oktober 1997 tot en met 31 januari 1999 ingetrokken en zijn de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 27 februari 1998 tot en met 31 januari 1999 tot een bedrag van € 10.669,57 van haar teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene opzettelijk voor appellant heeft verzwegen dat zij met haar echtgenoot is blijven samenwonen. Bij besluit van 14 oktober 2005 is het door betrokkene gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van de rechtbank van 30 maart 2006 is het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 oktober 2005 vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw, inhoudelijk besluit op bezwaar dient te nemen.

1.3. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft appellant bij besluit van 6 februari 2007 opnieuw op het bezwaar beslist en het bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat er geen sprake was van duurzaam gescheiden levende echtgenoten, zodat betrokkene niet als zelfstandig subject recht op bijstand had. Daarbij zijn de intrekking en de terugvordering van de bijstand gehandhaafd. In dat verband is tevens nog overwogen dat van verjaring van de vordering geen sprake is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 6 februari 2007 ingestelde beroep, met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten, gegrond verklaard wegens een door appellant onjuist gehanteerde bevoegdheidsgrondslag, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten voor zover dat ziet op de intrekking en terugvordering over de periode van 23 december 1998 tot en met 31 januari 1999.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit over de periode van 27 februari tot en met 22 december 1998 niet in stand zijn gelaten. Betrokkene heeft daartegen gemotiveerd verweer gevoerd en daarbij tevens beroepsgronden naar voren gebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat alleen appellant hoger beroep heeft ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Nu de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het rechtsmiddel van incidenteel appel (nog) niet kent, betekent dit dat de grieven van betrokkene tegen de aangevallen uitspraak, anders dan bij wijze van verweer aangevoerd tegen de door appellant aangevoerde beroepsgronden, in hoger beroep niet aan de orde kunnen komen. Dit is alleen anders indien de door betrokkene aangevoerde grieven zozeer zijn verweven met de door appellant aangevoerde beroepsgronden, dat beoordeling van de grieven van betrokkene om die reden onontkoombaar is, dan wel indien geoordeeld zou moeten worden dat betrokkene geen belang had bij het instellen van hoger beroep. Gelet op de door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden en gelet op de conclusie van de rechtbank met betrekking tot de verzwegen samenwoning, de intrekking, de terugvordering en het slechts ten dele verjaard zijn van de vordering, kan niet gezegd worden dat betrokkene geen belang had bij het (tijdig) instellen van hoger beroep. De grieven van betrokkene inzake het duurzaam gescheiden leven en de inlichtingenverplichting zijn evenmin nauw verweven met de beroepsgronden die appellant heeft aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak. Die beroepsgronden zien immers uitsluitend op het onjuist toepassen van de verjaringsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.2. Het voorgaande brengt met zich mee dat de Raad in dit geding als tussen partijen vaststaand dient aan te nemen dat appellant (kort gezegd) in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de bijstand van betrokkene in te trekken over de periode van 9 oktober 1997 tot en met 31 januari 1999 en de gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen over de periode van 23 december 1998 tot en met 31 januari 1999.

4.3. In hoger beroep is derhalve uitsluitend aan de orde of de rechtbank terecht heeft aangenomen dat de vordering van appellant over de periode van 27 februari 1998 tot en met 22 december 1998 was verjaard.

4.4. Ingevolge artikel 3:309 van het BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Aansluiting zoekend bij dit artikel is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand als hier aan de orde aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten en omstandigheden waaruit voldoende kan worden afgeleid dat ten onrechte bijstand is verleend en dat een besluit tot terugvordering zal volgen. Met appellant is de Raad van oordeel dat daarvan in ieder geval niet eerder sprake was dan op 22 januari 1999, zijnde de datum waarop appellant en [echtgenoot] zijn aangehouden voor verhoor inzake de verzwegen samenwoning.

Nu bij uitspraak van de rechtbank van 30 maart 2006, 05/5291 in rechte is komen vast te staan dat betrokkene op 23 december 2003 bekend is geworden met het besluit van 27 februari 2003 (derhalve binnen vijf jaar na 22 januari 1999) moet worden geconcludeerd dat de vordering over de periode van 27 februari 1998 tot en met 22 december 1998, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, ten tijde in geding niet was verjaard.

4.5. Het voorgaande betekent dat appellant bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand – ook – over de periode van 27 februari 1998 tot en met 22 december 1998. Appellant heeft in overeenstemming met zijn beleid tot terugvordering besloten. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van dat beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

4.6. Uit hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover door appellant aangevochten en dat de rechtsgevolgen van het besluit van 6 februari 2007 geheel in stand moeten worden gelaten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

  • Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
  • Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 6 februari 2007 geheel in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 april 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) B.E. Giesen.

RB