ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044

In een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

Uitspraak

06/6933 WAO + 06/6937 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2006, 05/2085, 05/2086, 05/2087 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 april 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 22 juni 2007, 2 juli 2008 en 9 juli 2008 heeft appellante nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schijndel voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit op bezwaar van 18 september 2003 heeft het Uwv gehandhaafd het besluit van 21 augustus 2002, waarbij aan appellante na de wettelijke wachttijd met ingang van 15 mei 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. Bij uitspraak van 12 mei 2005 heeft de rechtbank te Amsterdam het beroep van appellante tegen dit besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak, en bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen, samengevat, dat het besluit van 18 september 2003 op een juiste medische grondslag berust, maar dat de arbeidskundige grondslag onvoldoende is gemotiveerd, in het bijzonder ten aanzien van de aspecten ‘vertredingsmogelijkheden’ en ‘boven schouderhoogte actief zijn’. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

3. Bij besluit van 26 juli 2005 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv ter uitvoering van die uitspraak van de rechtbank het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 augustus 2002 gegrond verklaard en haar uitkering ingevolge de WAO met ingang van 15 mei 2001 nader vastgesteld, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 15 februari 2006 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv, in verband met herstel van een arbeidskundige onjuistheid in bestreden besluit 1, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ingaande 15 mei 2001 nader vastgesteld op een mate van 55 tot 65%.

4. Bij besluit van 12 augustus 2004 heeft het Uwv appellante in het kader van een zogeheten eerstejaars herbeoordeling bericht, dat haar WAO-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit van 26 juli 2005 (hierna: bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen besluit van 12 augustus 2004 gegrond verklaard en de mate van haar arbeidsongeschiktheid nader vastgesteld op een percentage van 45 tot 55.

5. Bij besluit van 26 juli 2005 (hierna: bestreden besluit 4) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 januari 2005, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 13 oktober 2004 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, gegrond verklaard en deze uitkering ingaande 13 oktober 2004 nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

6. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet ontvankelijk verklaard wegens het komen te ontbreken van procesbelang, het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit 4 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepalingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten.

7. De rechtbank heeft daartoe overwogen – kort weergegeven, en voor zover van belang – dat wordt uitgegaan van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit 2, nu de rechtbank in haar uitspraak van 12 mei 2005 de daartegen gerichte beroepsgronden van appellante uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen, terwijl de arbeidskundige grondslag van dit besluit juist moet worden geacht en door het Uwv voldoende inzichtelijk is gemotiveerd. Ten aanzien van het bestreden besluit 3 heeft de rechtbank de datum 12 augustus 2004 aangemerkt als de datum van (nadere) vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante en de medische en arbeidskundige grondslag van dit besluit als juist beoordeeld.

8. Appellante is in hoger beroep gekomen, omdat zij zich niet kan verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over uitsluitend de bestreden besluiten 2 en 3. Zij betoogt, samengevat, dat ten onrechte niet is erkend dat zij haar armen als gevolg van RSI niet kan gebruiken, zodat zij geen benutbare mogelijkheden heeft om arbeid te verrichten, dan wel veel verdergaand beperkt is in haar arbeidsmogelijkheden dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Voorts meent zij dat het Uwv ten onrechte een te groot gewicht heeft gehecht aan de rapportage van revalidatie-arts W.C.G. Blanken van 11 september 2003. Zij meent dat een onafhankelijke deskundige haar dient te onderzoeken. Tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies is zij niet in staat. Zij verzoekt de Raad, zoals de Raad de in rubriek I genoemde brieven van appellante uitlegt, het Uwv te veroordelen haar materiële en immateriële schade als gevolg van de onjuiste besluitvorming te vergoeden alsmede verzoekt zij om vergoeding van haar immateriële schade als gevolg van de lange duur van de procedure.

9. De Raad oordeelt als volgt.

9.1. Ten aanzien van het bestreden besluit 2 is de Raad met de rechtbank van oordeel dat over de medische grondslag van dit besluit reeds een onherroepelijk rechterlijk oordeel is gegeven, waarbij de beroepsgronden van appellante tegen die medische grondslag uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. De Raad heeft mitsdien uit te gaan van de juistheid van de medische grondslag van het besluit. Met inachtneming daarvan is de Raad voorts van oordeel dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat appellante niet in staat zou zijn de werkzaamheden verbonden aan de haar door het Uwv voorgehouden functies te verrichten. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 2 geen stand zou kunnen houden.

9.2. Ten aanzien van het bestreden besluit 3 overweegt de Raad dat hij zich volledig kan verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak over de medische en arbeidskundige grondslag van dit besluit is overwogen. De Raad maakt deze overwegingen tot de zijne.

9.3. Bij het bovenstaande merkt de Raad op dat het Uwv alle informatie uit de behandelend sector in de afweging heeft betrokken. Dat het Uwv daaraan, mede gelet op de in artikel 18 van de WAO voorgeschreven objectiveringseis, een andere waardering geeft dan appellante voorstaat, betekent niet dat daarom het bestreden besluit daarom berust op een ondeugdelijke medische grondslag. De Raad voegt hieraan toe dat naar zijn oordeel niet gezegd kan worden dat de besluitvorming van het Uwv in hoofdzaak is bepaald door de rapportage van revalidatie-arts Blanken. Blijkens de gedingstukken heeft het Uwv de besluiten, naast de evengenoemde informatie uit de behandelend sector, mede gebaseerd op de onderzoeksbevindingen van de aan het Uwv verbonden (bezwaar)verzekeringsartsen. Gelet op het bovenstaande heeft de Raad geen aanleiding gezien een onafhankelijke deskundige te benoemen voor nader onderzoek.

9.4. Het hoger beroep van appellante slaagt niet.

10. Appellante heeft gevorderd het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden, omdat het Uwv haar blijkens de in geding zijnde besluiten ten onrechte niet volledig arbeidsongeschikt heeft geacht. De Raad is van oordeel dat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking kan komen, omdat uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat de in dit hoger beroep nog aan de orde zijnde besluiten van het Uwv niet onrechtmatig zijn.

11. Appellante heeft ten slotte de Raad verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

11.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

11.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van – onder meer – socialezekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 11.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

11.3. In de zaak 06/6933 WAO is voorts van belang dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 24 maart 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991), in een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

11.4. Voor zaak 06/6933 WAO betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 1 oktober 2002 van het eerste bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en ruim zes maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen De Raad stelt vast dat de eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 29 oktober 2003 tot de uitspraak op 12 mei 2005 één jaar en ruim zes maanden, derhalve meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. De hernieuwde behandeling door de rechtbank is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift op 7 september 2005 en geëindigd met de aangevallen uitspraak op 12 oktober 2006, waarmee de rechtbank in deze fase de behandelingsduur van anderhalf jaar niet heeft overschreden. De behandeling bij de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger-beroepschrift op 5 december 2006 en eindigt met deze uitspraak op 15 april 2009. Deze heeft derhalve meer dan twee jaar in beslag genomen, terwijl de behandeling door rechtbank en Raad tezamen niet minder dan drie en een half jaar heeft geduurd. Aan het voorgaande kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

11.5. In de zaak 06/6937 WAO zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 17 september 2004 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak vier jaar en ruim zes maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim tien maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 7 september 2005 tot de aangevallen uitspraak een jaar en ruim een maand geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger-beroepschrift op 6 december 2006 tot deze uitspraak twee jaar en vier maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

11.6. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedures, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

12. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

  • Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 08/6461, 08,6463, 09/2175 en 09/2176 WAO ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009.

(get.) H. Bolt.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
KR

Eén gedachte over “ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044”

  1. Artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht is vervallen per 01-07-2013. Zie Staatsblad 2013, 162 & Staatsblad 2013, 50.

    De verzoekschriftprocedure van titel 8.4 ontneemt de behoefte aan een afzonderlijke bevoegdheid als voorzien in artikel 8:73 om in de beroepsprocedure tegen het schadeveroorzakende besluit een verzoek om schadevergoeding te doen. Artikel 8:91, eerste lid, bepaalt dat het verzoek ook kan worden gedaan hangende beroep of hoger beroep tegen het schadeveroorzakende besluit. Soortgelijke opmerkingen kunnen worden gemaakt ten aanzien van de procedure op grond van artikel 8:73a. De schadeprocedures van de artikelen 8:73 en 8:73a vervallen dan ook.

    Kamerstukken van deze wetswijziging
    Kamerstuk 32621 nr. 3 – Memorie van Toelichting
    Kamerstuk 32621 nr. 4 – Advies afdeling advisering Raad van State en nader rapport
    Kamerstuk 32621 nr. 5 – Verslag vaste commissie voor Veiligheid en Justitie
    Kamerstuk 32621 nr. 6 – Nota naar aanleiding van het verslag

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *