ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991

Het Uwv heeft, met inachtneming van de overwegingen van de Raad, appellante wederom medisch onderzocht. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv de arbeidsongeschiktheid gesteld op 25 tot 35%. De rechtbank heeft onder meer overwogen geen aanknopingspunten te kunnen vinden voor het oordeel dat de door het Uwv ten aanzien van appellante vastgestelde beperkingen onjuist of onvolledig zouden zijn. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met het oordeel van de rechtbank. De Raad is van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en ruim tien maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met drie jaar en ruim tien maanden overschreden.

Uitspraak

06/5855 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 23 augustus 2006, 06/465
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 25 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2008. Namens appellante is bij die gelegenheid verschenen mr. M.M. Mok, kantoorgenoot van mr. Van der Veen. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad wijst er allereerst op dat indien in deze uitspraak wordt gesproken van het Uwv daaronder tevens de rechtsvoorgangers van het Uwv worden begrepen.

2. Appellante, geboren in 1958, heeft op 24 mei 1996 haar werkzaamheden als groepsleerkracht in het basisonderwijs in verband met ziekte gestaakt. Op de aanvraag om een zogenoemde WAO-conforme uitkering heeft het Uwv bij besluit van 15 mei 1997 afwijzend beslist, tegen welk besluit appellante in rechte niet is opgekomen.

3.1. Op 22 november 1999 heeft appellante zich vanuit een wachtgeldsituatie wederom ziek gemeld bij het Uwv. Bij besluit van 2 april 2001 heeft het Uwv geweigerd appellante per 20 november 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen aangezien het verzuim van appellante geen verband hield met ziekte of gebrek. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 november 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 november 2002 het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard, tegen welke uitspraak appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3.2. Bij uitspraak van 25 maart 2005 heeft de Raad – voor zover hier van belang – de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het besluit van 20 november 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De Raad overwoog daartoe onder meer dat de Raad niet de opvatting van het Uwv volgde dat met de beperkingen van appellante geen rekening behoefde te worden gehouden, omdat die niet als uiting van ziekte konden worden beschouwd. Het besluit berustte naar het oordeel van de Raad dan ook op een ondeugdelijke medische grondslag.

4. Het Uwv heeft vervolgens, met inachtneming van de overwegingen van de Raad, appellante wederom medisch onderzocht. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 20 november 2000 gesteld moest worden op 25 tot 35%. Bij het thans bestreden besluit van 8 februari 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 april 2001 dan ook deels gegrond verklaard en aan appellante per 20 november 2000 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

5. Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Dat beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen geen aanknopingspunten te kunnen vinden voor het oordeel dat de door het Uwv ten aanzien van appellante vastgestelde beperkingen onjuist of onvolledig zouden zijn. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat het Uwv rekening heeft gehouden met de conclusies die werden getrokken door de deskundigen C.J.F. Kemperman, zenuwarts/neuroloog/psychiater, en J.M.E. van Zandvoort, zenuwarts. De rechtbank heeft voorts in de rapportage van de deskundige dr. H.L.S.M. Busard, zenuwarts, geen aanleiding gevonden om ten aanzien van appellante meer beperkingen aan te nemen. De rechtbank wees erop dat appellante in beroep geen nadere medische informatie heeft ingebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de medische beoordeling door het Uwv. De rechtbank was ten slotte van oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies passend waren.

6.1. Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de rapporten van de drie deskundigen in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd. Appellante onderkent dat de rapportages van Kemperman en Van Zandvoort het meest overeenstemmen, maar stelt tevens dat dit geen reden is om de conclusies van dr. Busard geheel buiten beschouwing te laten. Daarbij wijst appellante erop dat de rapportage van dr. Busard betrekking had op een letselschadezaak en dus een andere terminologie hanteert dan gebruikelijk in WAO-zaken. Daarbij werd echter wel aangegeven welke de handicaps bij appellante waren en tot welke beperkingen deze leidden.

6.2. Op 16 juni 2008 heeft appellante de Raad verzocht aan haar een schadevergoeding toe te kennen in verband met een overschrijding in deze procedure van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Daarbij heeft appellante erop gewezen dat deze procedure een aanvang heeft genomen op 10 mei 2001, het moment waarop bezwaar werd gemaakt tegen het besluit van 2 april 2001.

7. De Raad stelt vast dat de stellingen van appellante in hoger beroep ten aanzien van haar beperkingen en het medisch onderzoek door het Uwv neerkomen op een herhaling van hetgeen appellante reeds in beroep heeft aangevoerd. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad verwijst daarom voor een bespreking van de stellingen van appellante naar de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daar nog aan toe dat het Uwv, anders dan appellante veronderstelt, bij de vaststelling van de mogelijkheden en beperkingen van appellante rekening heeft gehouden met de bevindingen en conclusies van dr. Busard. Dat de door dr. Busard getrokken conclusies niet volledig door het Uwv zijn overgenomen, brengt niet met zich dat de besluitvorming door het Uwv onvoldoende zorgvuldig is geweest. Dit betekent dat de grieven van appellante niet slagen.

8.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) naar voren komt.

8.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad voegt daaraan thans toe dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van – onder meer – socialezekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 8.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

8.3. Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG8294) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (in het geval van een rechtbank en de Raad: het ministerie van Justitie).

8.4. Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is een vergoeding gepast van € 500,– per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

8.5. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 11 mei 2001 van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en ruim tien maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met drie jaar en ruim tien maanden overschreden. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake (geweest), aangezien de behandeling door de rechtbank en de Raad tezamen steeds minder dan drie en een half jaar heeft geduurd. De overschrijding komt derhalve in haar geheel voor rekening van het Uwv. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, is niet gebleken. De door appellante geleden immateriële schade moet worden vastgesteld op een bedrag van acht maal € 500,–, dat is € 4.000,–.

8.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad – met vernietiging van de aangevallen uitspraak – het beroep gegrond zal verklaren, het besluit van 8 februari 2006 zal vernietigen, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zal laten en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 4.000,–.

9. De Raad ziet ten slotte aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644, – voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644, – voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288, –.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende,

  • Vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • Verklaart het beroep gegrond:
  • Vernietigt het besluit van 8 februari 2006;
  • Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
  • Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade aan appellante ten bedrage van € 4.000,–;
  • Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288, – te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
  • Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 143, – aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) H. Bolt
(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG