ECLI:NL:CRVB:2008:BG5163

Met ingang van 8 november 2001 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 3 juni 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 augustus 2004 ingetrokken. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna vijf maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank en van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het beroepschrift bij de rechtbank op in totaal drie jaar en vier maanden geduurd. Van de gezamenlijke behandelingsduur door de rechtbank en de Raad kan derhalve niet worden gezegd dat daarmee de redelijke termijn is overschreden.

Uitspraak

06/3084 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 april 2006, 05/1838 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 november 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft psychiater G.T. Gerssen appellante op 10 april 2008 onderzocht en daarvan op 14 mei 2008 verslag uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Kouveld.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk gedurende 28 uur per week werkzaam geweest als schoolassistente. Op 9 november 2000 heeft zij zich voor die werkzaamheden ziek gemeld in verband met pijnklachten van haar rechterhand en -arm. Met ingang van 8 november 2001 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 7 maart 2003 is appellante onderzocht door een verzekeringsarts die tot de conclusie is gekomen dat na de operatieve behandeling van de rechterhand een complicatie is ontstaan waarvoor appellante intensief is behandeld en dat er nog enige restverschijnselen bestaan. De verzekeringsarts was van mening dat appellante uitsluitend nadrukkelijke belasting van de rechterarm dient te vermijden. Deze arts heeft op 21 april 2004 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld waarin de voor appellante geldende beperkingen zijn weergegeven. De arbeidsdeskundige heeft na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingsysteem (CBBS) een aantal functies geselecteerd die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellante en waarmee zij een zodanig inkomen kan verwerven dat de mate van arbeidsongeschiktheid 0% bedraagt. Bij besluit van 3 juni 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 augustus 2004 ingetrokken.

1.2. In haar bezwaar tegen het besluit van 3 juni 2004 heeft appellante aangevoerd dat zij nog steeds last heeft van haar rechterarm waardoor zij geen zware en ook geen lichte werkzaamheden kan verrichten. Daarnaast heeft zij toenemende pijn in haar nek en een trillend hoofd. Tijdens de hoorzitting heeft appellante tevens aangevoerd dat zij onder behandeling is van een psycholoog en verwezen is naar de Pijngroep van Mesos Medisch Centrum. Op verzoek van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal heeft de huisarts van appellante de medische rapportages, waarover zij beschikte, ingezonden. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante op 18 april 2005 onderzocht en is daarbij tot de conclusie gekomen dat op 4 augustus 2004 sprake was van pijnklachten van de rechterhand, ontstaan na exostoseverwijdering in 2001, een beeld dat geduid is als reflexdystrofie. Voorts is reactief een depressief beeld ontstaan waarvoor appellante door een psychiater en psycholoog is behandeld. Deze verzekeringsarts heeft geen medisch-objectiveerbare redenen gevonden om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts, die voldoende heeft beargumenteerd waarom er geen psychische beperkingen behoeven te worden aangenomen. Bij besluit van 14 juni 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 juni 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, op het standpunt gesteld dat de belasting van de voor haar geselecteerde functies niet in overeenstemming is met haar beperkingen, zoals weergegeven in de FML. In alle functies gaat het om rechterarm- en rechterhandbelastend werk, waarvoor in de FML aanzienlijk beperkingen zijn opgenomen. Tevens heeft appellante aangevoerd dat de procedure in hoger beroep zodanig lang heeft geduurd dat daardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Appellante heeft de Raad verzocht haar een schadevergoeding toe te kennen in verband met die overschrijding.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de FML, zoals die naar aanleiding van het rapport van psychiater Gerssen van 14 mei 2008 is aangepast, in voldoende mate de beperkingen weergeeft, die voor appellante per 4 augustus 2004 golden. In geschil is of appellante met inachtneming van de beperkingen van haar -dominante- rechterhand en -arm in staat was de voor haar geselecteerde functies te vervullen.

4.2.1. In de FML zijn in verband met de klachten van appellante van haar rechterhand en -arm meerdere beperkingen opgenomen. Zo is op het onderdeel huidcontact aangegeven dat geen sterke of langdurige belasting van de rechter arm/hand is toegestaan. Tevens geldt een beperking ten aanzien van het bedienen van een toetsenbord in die zin dat appellante met haar rechterhand geen langdurige repetitieve of krachtige bewegingen kan maken en gelden er beperkingen ten aanzien van schroefbewegingen met de rechterhand en -arm en tillen of dragen. Bij onderdeel 4.21.1 van de FML is als specifieke voorwaarde voor dynamisch handelen in arbeid weergegeven dat appellante koude en nadrukkelijk belasting van de rechterarm (in de vorm van zeer krachtige en/of langere tijd frequente bewegingen) dient te vermijden.

4.2.2. Aan de onderhavige schatting liggen ten grondslag de functies van inpakker (SBC-code 111190), elektronicamonteur (SBC-code 267040) en wasserijmedewerker (SBC-code 272020). Weliswaar heeft de raadpleging van het CBBS meerdere functies opgeleverd, maar die functies laat de Raad buiten beschouwing aangezien in de notities functiebelasting van 31 augustus 2005 en het rapport van bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman van 12 december 2007 uitsluitend genoemde drie functies van een toelichting zijn voorzien. Derhalve is niet voldoende inzichtelijk gemotiveerd of de overige functies in overeenstemming zijn met de voor appellante vastgestelde beperkingen.

4.2.3. De Raad onderschrijft het standpunt van appellante dat de gegeven toelichting niet toereikend is voor de conclusie dat de drie functies in overeenstemming zijn met de beperkte belastbaarheid van haar rechterhand en -arm. Als toelichting op onderdeel 4.24.1 bij de functies van inpakker behorende tot SBC-code 111190 heeft bezwaararbeidsdeskundige Horeman in zijn rapport van 12 december 2007 aangegeven dat weliswaar een grijpfunctie van een hoge frequentie bestaat, maar dat er geen bijzondere belasting is op knijp- en grijpkracht. Daarmee is evenwel niet inzichtelijk toegelicht dat voldaan wordt aan het vereiste dat appellante langere tijd frequente bewegingen met de rechterarm dient te vermijden. Uit de beschrijving van de functiebelasting kan worden afgeleid dat de betreffende inpakwerkzaamheden in hoog tempo worden verricht.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft op dit onderdeel bij de functie van monteur (behorende tot de SBC-code 267040) als toelichting gegeven dat de repetitieve handelingen een cyclus van ongeveer zes minuten kennen en dat de overige grepen naar keuze zijn. Het werken in cycli van zes minuten betekent naar het oordeel van de Raad op zichzelf niet dat geen sprake is van langdurige belasting. Bovendien is niet toegelicht of appellante gelet op de beperkte functie van haar dominante rechterhand in staat is naar behoren met de niet-dominante hand de vereiste handelingen te verrichten, waaronder het nauwkeurig met pincet positioneren van elementjes die enige millimeters groot zijn. De bezwaararbeidsdeskundige heeft op dit onderdeel bij de functies van confectiestrijkster en strijker, behorende tot SBC-code 272020, als toelichting gegeven dat de repetitieve handelingen geen krachtig zetten kennen, maar nauwkeurigheid met een cyclus van ongeveer zes minuten en dat de (overige) grepen naar keuze zijn. Uit het formulier resultaat functiebeoordeling blijkt dat de werkzaamheden als confectiestrijkster en strijker voor 85% respectievelijk 95% bestaat uit strijken van kleding en dat met precisie en nauwkeurige bewegingen gestreken moet worden zonder de stof te beschadigen respectievelijk doorlopend een strijkijzer wordt gehanteerd. Daargelaten dat uit de omschrijving niet kan worden afgeleid dat de werkzaamheden cycli van zes minuten kennen, blijkt daaruit wel dat de werkzaamheden langere tijd frequente hand- en armbewegingen vergen. Uit het gegeven dat appellante geen beperkingen ondervindt aan haar linkerhand en -arm kan naar het oordeel van de Raad op zichzelf niet worden afgeleid dat zij deze beide functies naar behoren kan vervullen.

4.3. De Raad concludeert dat het bestreden besluit een deugdelijke arbeidskundige grondslag ontbeert en wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Daaruit vloeit tevens voort dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard, niet in stand kan blijven. Het Uwv dient opnieuw op de bezwaren van appellante te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. Overschrijding van de redelijke termijn.

5.1. Appellante heeft de Raad verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, tijdens de behandeling in hoger beroep.

5.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene.

5.3. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna vijf maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank en van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het beroepschrift bij de rechtbank op 13 juli 2005 in totaal drie jaar en vier maanden geduurd. Van de gezamenlijke behandelingsduur door de rechtbank en de Raad kan derhalve niet worden gezegd dat daarmee de redelijke termijn is overschreden. Het onder 5.1 bedoelde verzoek van appellante moet daarom worden afgewezen.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

  • Vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
  • Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
  • Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
  • Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt;
  • Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 november 2008.

(get.) Ch. van Voorst
(get.) E.M. de Bree

TM