ECLI:NL:CBB:2003:AO1044

Afgifte van verklaringen van geen bezwaar ex artikel 2:179 van het Burgerlijk Wetboek voor de oprichting van de rechtspersonen. Het College stelt vast dat de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift beslist had moeten worden, ruimschoots was overschreden. Verweerder is van oordeel dat het onmogelijk was om eerder tot besluitvorming in bezwaar over te gaan en tot een afgewogen oordeel te komen. Dit omdat essentiële informatie van de zijde van het Openbaar Ministerie, ondanks herhaald rappelleren, eerst medio maart 2002 beschikbaar is gekomen. Het College oordeelt: dat verweerder voor een afgewogen besluitvorming afhankelijk was van informatie van het Openbaar Ministerie, welke niet voortvarend is aangeleverd, doet hieraan niet af en dient in redelijkheid voor rekening en risico van verweerder te komen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van appellant is derhalve gegrond.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
(vijfde enkelvoudige kamer)
No. AWB 02/431 25 november 2003
24200 Verklaring van geen bezwaar rechtspersonen

Uitspraak in de zaak van:
A, te X, appellant,
gemachtigde: mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen,
tegen
de Minister van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. E.B.M.H. de Brouwer, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 21 februari 2001 heeft appellant verweerder verzocht om afgifte van verklaringen van geen bezwaar ex artikel 2:179 van het Burgerlijk Wetboek voor de oprichting van de rechtspersonen A Holding B.V. en Kwekerij B B.V.

Bij besluit van 17 september 2001 heeft verweerder afwijzend op dit verzoek beslist.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 12 oktober 2001 bezwaar gemaakt.

Op 26 november 2001 is appellant naar aanleiding van zijn bezwaren door verweerder gehoord.

Op 14 maart 2002 heeft verweerder appellant telefonisch toegezegd dat vóór 1 april 2002 op het bezwaarschrift zal worden beslist.

Bij brief van 15 maart 2002 heeft appellant bij het College beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door verweerder op het bezwaar van 12 oktober 2001. Diezelfde dag heeft appellant tevens de voorzieningenrechter van het College verzocht terzake een voorlopige voorziening te treffen. Dit laatste verzoek is bij het College geregistreerd onder nummer AWB 02/432.

Bij besluit van 21 maart 2002 heeft verweerder alsnog op het bezwaarschrift van appellant beslist en de gevraagde verklaringen van geen bezwaar ten behoeve van de oprichting van de rechtspersonen A Holding B.V. en Kwekerij B B.V. afgegeven.

Op 25 maart 2002 heeft appellant het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak ex artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te veroordelen in de kosten van die procedure.

Bij uitspraak van 27 augustus 2002 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om kostenveroordeling van 25 maart 2002 toegewezen en verweerder in de kosten van dat geding veroordeeld. Deze uitspraak is te raadplegen op www.rechtspraak.nl, LJN-nummer AE7054.

Bij brief van 17 september 2002 heeft appellant het College desgevraagd medegedeeld zijn beroep te willen handhaven in verband met vaststelling van de aansprakelijkheid van verweerder.

Op 3 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 maart 2003 heeft appellant gerepliceerd en op 31 maart 2003 heeft het College van verweerder een conclusie van dupliek ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2003. Appellant is daarbij – met voorafgaand bericht van verhindering – niet verschenen en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Het standpunt van appellant

Appellant heeft het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft de uit de Awb voortvloeiende termijn waarbinnen op het bezwaarschrift moest worden beslist, ondanks verschillende, onder meer op 31 januari 2002 en 6 maart 2002 gedane, toezeggingen dat vóór bepaalde data zou worden beslist, ruimschoots overschreden. Doordat verweerder de in februari 2001 aangevraagde verklaringen van geen bezwaar pas in maart 2002 heeft afgegeven, heeft appellant schade geleden. De twee besloten vennootschappen van appellant konden aldus pas verlaat worden opgericht en als gevolg daarvan is een financieel nadeel van € 45.000,- ontstaan (verschil tussen tarief inkomsten- en vennootschapsbelasting).

Appellant wenst een vaststelling van aansprakelijkheid van verweerder voor gestelde schade, heeft derhalve belang bij gegrondverklaring van zijn beroep en verzoekt om toepassing van artikel 6:20, zesde lid, Awb.

3. Het standpunt van verweerder

Het standpunt van verweerder luidt als volgt.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep van appellant wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Verder erkent verweerder dat appellant over het verloop van de procedure onvoldoende op de hoogte is gehouden en om die reden is hij ook door de voorzieningenrechter van het College veroordeeld in de kosten van de voorlopige voorziening-procedure. Verweerder is echter van oordeel dat het onmogelijk was om eerder tot besluitvorming in bezwaar over te gaan en tot een afgewogen oordeel te komen. Dit omdat essentiële informatie van de zijde van het Openbaar Ministerie, ondanks herhaald rappelleren, eerst medio maart 2002 beschikbaar is gekomen. Verweerder begrijpt dat appellant zijn besloten vennootschappen later heeft kunnen oprichten dan de bedoeling was, maar begrijpt niet dat appellant, zoals deze in diens brief van 17 september 2002 heeft gesteld – over het jaar 2000 schade zou hebben geleden. De onderhavige aanvraag om afgifte van verklaringen van geen bezwaar dateert immers van februari 2001. Verweerder meent dat in de gegeven omstandigheden geen sprake is van onrechtmatig handelen jegens appellant.

4. De beoordeling van het geschil

Het College verwerpt allereerst het betoog van verweerder dat ertoe strekt dat appellant niet ontvankelijk zou zijn in zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 12 oktober 2001 wegens het niet langer aanwezig zijn van procesbelang. Appellant houdt immers een belang bij een oordeel over de tijdigheid van verweerders besluitvorming. Dit gelet op het door appellant geuite voornemen verweerder civielrechtelijk aan te spreken tot vergoeding van door hem, naar gesteld, geleden schade.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt het niet tijdig nemen van een besluit door een bestuursorgaan voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over beroep met een besluit gelijkgesteld. Tegen een niet tijdig nemen van een besluit van een bestuursorgaan op een ingediend bezwaarschrift kan derhalve beroep worden ingesteld.

Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient een bestuursorgaan binnen zes weken na ontvangst van een bezwaarschrift daarop te beslissen, tenzij een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb is ingesteld. Op grond van het derde lid van genoemd artikel 7:10 kan het bestuursorgaan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen en daarvan moet schriftelijk mededeling worden gedaan, indien van die mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Verder uitstel is, blijkens artikel 7:10, vierde lid, van de Awb, slechts mogelijk voorzover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen geschaad kunnen worden of daarmee eveneens instemmen.

Ingevolge artikel 6:20, zesde lid, van de Awb kan een beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroep daarbij belang heeft.

Het College stelt vast dat ten tijde van het instellen van het beroep door appellant, te weten op 15 maart 2002, de termijn waarbinnen ingevolge artikel 7:10 van de Awb op het bezwaarschrift had moeten worden beslist, ongeacht of verweerder binnen de reguliere beslistermijn een verdagingsbeslissing ex artikel 7:10, derde lid, van de Awb heeft genomen of dat de gemachtigde van appellant met uitstel van de besluitvorming tot eind januari 2002 heeft ingestemd, ruimschoots was overschreden. Dat verweerder voor een afgewogen besluitvorming afhankelijk was van informatie van het Openbaar Ministerie welke niet voortvarend is aangeleverd, doet hieraan niet af en dient in redelijkheid voor rekening en risico van verweerder te komen.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van appellant is derhalve gegrond. Het College acht voorts termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), rekening houdend met het gegeven dat het beroep was gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zodat met een betrekkelijk eenvoudig beroepschrift kon worden volstaan, en dat de gemachtigde van appellant niet ter zitting is verschenen, worden deze kosten, zijnde de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld op 1 (beroepschrift) x 0,25 (gewicht) x € 322,– = € 80,50.

Voorts acht het College termen aanwezig voor nevendicta als in paragraaf 5 van deze uitspraak omschreven.

5. De beslissing

Het College:

– verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 12 oktober 2001 gegrond;

– veroordeelt verweerder in de kosten die appellant in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke

kosten worden begroot op € 80,50 (zegge: tachtig euro en vijftig cent);

– bepaalt dat verweerder het griffierecht ad € 109,– (zegge: honderdnegen euro) aan appellant vergoedt;

– wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

– wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2003.

w.g. M.A. van der Ham w.g. M.S. Hoppener

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *