ECLI:NL:RVS:2010:BM5620

Ingevolge artikel 8:69 van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Dat appellant zich hierover niet heeft kunnen uitlaten omdat hij noch een gemachtigde ter zitting is verschenen, komt voor zijn eigen risico. Nu artikel 6:13 van de Awb noch een andere rechtsregel er aan in de weg staat dat in beroep nieuwe gronden tegen een besluit worden aangevoerd, heeft de rechtbank ten onrechte deze eerst in beroep aangevoerde gronden buiten beschouwing gelaten. De bij de rechtbank ingediende nadere memorie moet worden aangemerkt als een nader stuk als bedoeld in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb en is het stuk niet opgenomen als proceshandeling in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Als vergoeding voor de schending van de redelijke termijn geleden immateriële schade wordt uitgegaan van € 500,00 per half jaar.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM5620” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BH4653

Bij besluit heeft de raad van de gemeente een verzoek om vergoeding van planschade afgewezen. Het betoog ter zitting dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden, faalt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling vangt de redelijke termijn aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Voorts is in die uitspraak overwogen dat in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Het bezwaarschrift van appellante is op 19 juli 2005 bij de gemeente Reimerswaal ingekomen. Gelet hierop is ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling voormelde termijn van vijf jaar niet overschreden, zodat van schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geen sprake is.

“ECLI:NL:RVS:2009:BH4653” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2007:BA5515

Bij besluit heeft de gemeenteraad van Wassenaar het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2004” vastgesteld. Met de vaststelling van het bestemmingsplan is, voor zover het betreft de plandelen van appellant, tevens een beslissing genomen omtrent zijn burgerlijke rechten en verplichtingen. Hiervan uitgaande begint de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn in een bestemmingsplanzaak waarbij verweerder aan het desbetreffende plandeel goedkeuring heeft verleend, te lopen bij het indienen van de bedenkingen door betrokkene. Anders dan appellant heeft gesteld blijft de tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van het bestemmingsplan, voor het bepalen van de ingangsdatum van de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn buiten beschouwing. Nu sinds het inbrengen van bedenkingen door appellant op 26 april 2005 in de goedkeuringsfase ongeveer een half jaar en in de beroepsfase ongeveer 1,5 jaar zijn verstreken, tezamen ongeveer twee jaar, kan niet worden geoordeeld dat daarmee een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Het verzoek om schadevergoeding dient dan ook reeds om deze reden te worden afgewezen.

“ECLI:NL:RVS:2007:BA5515” verder lezen