ECLI:NL:GHARL:2016:10575

De betrokkene stelt dat het voertuig ten tijde van de gedraging niet door haar werd bestuurd. Er is zonder toestemming van de betrokkene in haar voertuig gereden door een Australisch echtpaar dat ten tijde van de gedraging van haar woning gebruikmaakte. De betrokkene was zelf in het buitenland op vakantie. Het beroep op de disculpatiegrond van artikel 8 WAHV niet slaagt. Niet gesteld of gebleken is dat de betrokkene maatregelen heeft getroffen om gebruik van haar voertuig te voorkomen. De betrokkene heeft de autosleutels kennelijk vindbaar en onbeheerd in haar woning achtergelaten terwijl zij aan anderen de toegang tot die woning had gegeven. De sanctie is terecht opgelegd aan de betrokkene, als kentekenhouder van het voertuig.

“ECLI:NL:GHARL:2016:10575” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:10528

In de fase van het administratief beroepschrift was bekend dat er camerabeelden van de gedraging beschikbaar waren. Zowel in het beroep bij de officier van justitie als bij de kantonrechter is aangevoerd dat uit de camerabeelden een ander beeld volgt dan uit de verklaring van de verbalisant. Het oordeel van de rechtbank, dat geen kennis hoefde te worden genomen van de camerabeelden om tot bewijs te komen, is onjuist. Door de gemachtigde zijn immers naar aanleiding van de camerabeelden gronden aangevoerd die mogelijk tot twijfel zouden hebben kunnen leiden aan de ambtsedige verklaring, zodat de kantonrechter geen doorslaggevende betekenis aan de verklaring van de verbalisant had mogen geven zonder kennis te nemen van de camerabeelden.
De beslissing van de officier van justitie is niet op deugdelijke gemotiveerd. Met de gebruikte standaardoverweging, dat doorslaggevende betekenis wordt gegeven aan de verklaring van de verbalisant, wordt onvoldoende recht gedaan aan het verweer van de gemachtigde, dat er op basis van de camerabeelden reden is om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. In de beslissing van de officier van justitie wordt immers in het geheel niet ingegaan op hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd over de camerabeelden. De officier van justitie had kennis moeten nemen van de beschikbare camerabeelden om tot een juiste beslissing te kunnen komen.

“ECLI:NL:GHARL:2016:10528” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9599

De betrokkene heeft destijds tijdig beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking bij de Belastingdienst Apeldoorn. Betrokkene had tevens een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting ontvangen. Ter onderbouwing is een kopie van het beroepschrift van de betrokkene overgelegd. Als bijlage bij dit beroepschrift heeft de betrokkene een kopie van de inleidende beschikking bijgevoegd. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat uit deze brief duidelijk blijkt dat deze (mede) betrekking heeft op de onderhavige sanctie en dat de betrokkene de bedoeling had daartegen beroep in te stellen. Aldus kan deze brief worden aangemerkt als een beroepschrift tegen de inleidende beschikking. De Belastingdienst had het beroepschrift moeten doorzenden naar de juiste instantie.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9599” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9522

De gemachtigde heeft gesteld dat de betrokkene en zijn voertuig zich op voormelde datum en tijd bevonden op een camping, maar de overgelegde getuigenverklaring is onvoldoende om eraan twijfelen dat de gedraging met het voertuig van de betrokkene is begaan. Hetgeen is aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunten voor nader onderzoek. Nu niet aannemelijk is geworden dat het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht een ander is dan het motorrijtuig waarvan het kenteken op naam van de betrokkene is geregistreerd, stelt het hof vast dat de gedraging is verricht.
Door de betrokkene niet is verzocht om een vergoeding van de reis- en verletkosten. De kantonrechter is niet verplicht deze aan betrokkene toe te kennen. Uit artikel 13a, eerste lid, WAHV juncto artikel 7:28, tweede lid, van de Awb volgt dat moet worden verzocht om vergoeding van de proceskosten.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9522” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9517

Motivering van de officier van justitie behoeft niet in de vorm van een formele brief. Betrokkene geeft aan dat hij de beslissing op het administratief beroepschrift heeft ontvangen en dat hij bij dit schrijven een stukje tekst heeft ontvangen wat lijkt op de lang verwachte motivering van de officier van justitie. Dat deze beslissing niet wordt weergegeven in een formele brief en de betrokkene via de Ombudsman alsnog de formele beslissing heeft verkregen, doet hieraan niet af. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, mede betrekking op de na het instellen van beroep genomen beslissing van de officier van justitie. Nu door de betrokkene beroep is ingesteld bij de kantonrechter, terwijl de betrokkene niet daarna daarop is gewezen, is de betrokkene niet op de juiste wijze op de hoogte gesteld van de verplichting tot zekerheidstelling en heeft de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9517” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9416

Parkeren zonder parkeerschijf in combinatie met gehandicaptenparkeerkaart. Bij de stukken bevindt zich een door de verbalisant gemaakte foto waaruit blijkt dat een gehandicaptenparkeerkaart was geplaatst in het voertuig, zij het dat deze gedeeltelijk aan het zicht werd onttrokken door de parkeerschijf. Niettemin is het hof, gelet op het standpunt van de advocaat-generaal, van oordeel dat in dit geval aan de betrokkene een beroep toekomt op artikel 85, eerste lid, van het RVV 1990. Artikel 25 van het RVV 1990 was daarom op de betrokkene niet van toepassing, zodat niet op grond van die bepaling een sanctie aan de betrokkene kon worden opgelegd.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9416” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9413

Het verzoek aan de officier van justitie tot intrekking van de inleidende beschikking moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen op zijn beslissing op het administratief beroep. Het gaat hier om een verzoek om gebruik te maken van een ambtshalve bevoegdheid. De officier van justitie heeft, hangende de behandeling van het beroep bij de kantonrechter, in het kader van de herbeoordeling de ambtshalve bevoegdheid om terug te komen op zijn beslissing op het administratief beroep. De WAHV kent echter niet de mogelijkheid om de officier van justitie te verzoeken van die bevoegdheid gebruik te maken. Het verzoek betreft niet een verzoek om een besluit te nemen, zodat geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9413” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9408

Verbalisant blijkt geen trainingscertificaat te hebben gehad op het moment dat hij de vermeende gedraging constateerde. Dit certificaat is ingevolge de Aanwijzing snelheidsovertredingen en snelheidsbegrenzers wel vereist. Uit de brief van de politiechef van de Eenheid Noord-Holland leidt het hof af dat de verbalisant de training voor het gebruik van het meetapparaat met goed gevolg heeft afgelegd. Dat het bijbehorende certificaat vanwege een administratieve achterstand bij de Politieacademie nog niet daadwerkelijk aan hem was uitgereikt, maakt dit niet anders. Gelet hierop kan het door de gemachtigde gevoerde verweer niet slagen.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9408” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9412

(4) Op basis van de mandaatconstructie is komen vast te staan dat de medewerker van de CVOM, die op het beroep heeft beslist, daartoe bevoegd was.
*De verbalisant is op juiste wijze beëdigd en was bevoegd om de sanctie op te leggen. De akte van beëdiging van de verbalisant is namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie ondertekend door een met name genoemde teammanager BTR van de Dienst Justis. Het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar bepaalt dat de minister van Veiligheid en Justitie de BOA beëdigt en ten behoeve van de beëdiging een akte van beëdiging opmaakt. De bevoegdheid van de minister om een BOA te beëdigen, kon worden uitgeoefend door zijn staatssecretaris en is ook aan deze opgedragen.
*Sanctie kan worden opgelegd aan een rechtspersoon jonger dan 12 jaar. Een redelijke uitleg van artikel 3, tweede lid, WAHV, brengt mee dat deze leeftijdsgrens slechts ziet op natuurlijke personen.
*Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding. De Stichting heeft de autobestuurster gemachtigd. Zij heeft op haar beurt de gemachtigde ingeschakeld die statutair bestuurder van de Stichting is. Hij kan niet tevens worden aangemerkt als een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9412” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9397

Gemachtigde is niet voor de zitting van de kantonrechter is uitgenodigd. Het beroep is ingesteld door de gemachtigde, maar in de machtiging machtigt de betrokkene Y. X heeft aanvullende gronden bezwaar ingediend. Gelet op de verstrekte machtiging, en de daarbij ruim omschreven kring van gevolmachtigden, alsmede de machtiging aan X, kon de kantonrechter X redelijkerwijs aanmerken als de in die fase van de procedure namens de betrokkene optredende gemachtigde. Dat de inhoud van het schrijven van X mede betrekking heeft op de gelijktijdig aanhangige bezwaarprocedure op grond van de Wob doet daaraan niet af, nu uit de stukken blijkt dat deze werkwijze niet ongebruikelijk is bij beide rechtsbijstandsverleners. De onduidelijkheid die daardoor kan ontstaan komt derhalve voor hun rekening en risico. Uit het voorgaande volgt dat de gemachtigde X op de bij artikel 12, eerste lid, van de WAHV, voorgeschreven wijze is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9397” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9185

De betrokkene had zijn voertuig uitgeleend en heeft een schriftelijke verklaring van de bestuurder ingebracht, waarin die bestuurder erkent de bestuurder te zijn geweest. Bij oplegging van een administratieve sanctie aan de kentekenhouder, wordt aan deze niet een gedraging als bedoeld in artikel 2 van de WAHV verweten, maar op de kentekenhouder komt slechts de last te rusten het bedrag van de opgelegde administratieve sanctie voor de bestuurder, als degene die zich aan de desbetreffende gedraging heeft schuldig gemaakt, te voldoen.
De kantonrechter is slechts gehouden de proceskosten te vergoeden indien de gemachtigde voorafgaand aan de beslissing daarom heeft verzocht. Gemachtigde heeft niet om vergoeding van proceskosten verzocht.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9185” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9181

De in Wob verzochte stukken van de ijking en snelheidsmetingen van andere voertuigen, zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken a.b.i. 7:18, vierde lid, Awb. Op de foto is te zien dat de auto van de betrokkene de voorste is van een colonne van drie. Er moet sprake zijn geweest van een foutieve meting, aldus de betrokkene. De informatie en de stukken waar de betrokkene om heeft verzocht, worden door het hof in het algemeen niet aangemerkt als op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 7:18, vierde lid, Awb. Het hof ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding voor een andersluidend oordeel daaromtrent. Voor zover deze stukken niet aan de betrokkene zijn verstrekt, verbindt het hof daaraan dan ook geen gevolgen. Dat sprake zou zijn van een foutieve meting, acht het hof niet aannemelijk.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9181” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9157

Gedragingen zijn verricht door haar ex-partner, die van haar auto gebruikmaakte. De ex-partner heeft de boetes destijds in ontvangst genomen en toegezegd dat hij ze zou betalen. Artikel 8, aanhef en onder b, van de WAHV bepaalt dat de officier van justitie de sanctiebeschikking vernietigt wanneer de kentekenhouder aannemelijk maakt dat een ander tegen zijn of haar wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt en dit gebruik redelijkerwijs niet kon worden voorkomen. Uit de overgelegde aangifte blijkt dat de toenmalige partner van de betrokkene tot omstreeks eind mei 2014 haar toestemming had om van het voertuig gebruik te maken. Alle gedragingen dateren van daarvoor. De betrokkene kan zich dan ook niet op de uitzondering van artikel 8, aanhef en onder b, van de WAHV beroepen.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9157” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9160

De kantonrechter heeft de sanctie gematigd en het verzoek van de betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. Artikel 13a, eerste lid, eerste volzin, van de WAHV bepaalt dat de kantonrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu het bedrag van de sanctie is gematigd, is de betrokkene (gedeeltelijk) in het gelijk gesteld door de kantonrechter. Als uitgangspunt heeft te gelden dat in een zodanig geval aanleiding bestaat voor inwilliging van het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding, gemaakt in de procedure bij de kantonrechter. Dat is slechts anders indien geoordeeld zou moeten worden dat er sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Daarvan is in deze zaak niet gebleken.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9160” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9269

Binnen de gestelde termijn is echter geen ondertekend beroepschrift ontvangen. Als gevolg van het door de betrokkene inzenden van een ondertekende aanvulling van de gronden van het beroep, dient naar het oordeel van het hof het verzuim dat het (pro forma) beroepschrift niet is ondertekend als hersteld te worden beschouwd. Als gevolg van het niet doorzenden van de aanvullende stukken van de betrokkene door de CVOM, heeft de kantonrechter hier geen rekening mee kunnen houden en is de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. De betreden beslissing kan derhalve niet in stand blijven.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9269” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9045

De kantonrechter heeft na het schriftelijke draagkrachtverweer direct uitspraak gedaan. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter, gelet op de oproepingsbrief en dat de betrokkene niet op die zitting was verschenen, niet onmiddellijk op diezelfde zitting had mogen overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het beroep. De kantonrechter had de betrokkene eerst in de gelegenheid moeten stellen zijn zienswijze daarover ter zitting nader toe te lichten. Nu dat niet is gebeurd, is het in artikel 12, eerste lid, van de WAHV vervatte beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Nu de gemachtigde is opgeroepen voor de behandeling van het hoger beroep ter zitting van het hof, hij aldaar is verschenen en zijn zienswijze nader heeft toegelicht, is deze schending in zoverre hersteld. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de gemachtigde op die zitting heeft verzocht dat het hof de zaak zelf afdoet, zal worden volstaan met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9045” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9051

Betrokkene hield tijdens het rijden geen telefoon maar een rekenmachine in zijn hand. Uit de verklaring van de verbalisant volgt dat de hij heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon vast hield. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde hiertegen heeft aangevoerd, en dat in feite neerkomt op de enkele ontkenning hiervan, geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Dat de betrokkene geen mobiele telefoon maar een rekenmachine in zijn hand had, acht het hof niet aannemelijk. Met name ontbreekt een plausibele verklaring voor de noodzaak tijdens het rijden een rekenmachine vast te houden. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking de betrokkene dit niet reeds bij de staandehouding heeft aangegeven, hetgeen voor de hand had gelegen. Dat het merk van de telefoon niet in het zaakoverzicht is opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9051” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:9028

Gemachtigde heeft binnen de termijn om zekerheid te stellen, aangegeven dat de betrokkene over een verminderde draagkracht beschikt. Daarbij is verzocht om een nadere termijn om het draagkrachtverweer te onderbouwen. De kantonrechter heeft zonder het draagkrachtverweer in zijn beschouwing te betrekken, het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De betrokkene is niet uitgenodigd voor een zitting. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.

“ECLI:NL:GHARL:2016:9028” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:8869

Tardief draagkrachtverweer. De gemachtigde heeft na het verstrijken van de zekerheidstermijn, aangevoerd dat de betrokkene de draagkracht mist om zekerheid te stellen. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de betrokkene de betalingsonmacht niet eerder kon bewijzen omdat de betrokkene kort in het buitenland moest verblijven. Dit betreft een omstandigheid die voor rekening van de betrokkene moet blijven. Het had op de weg van de betrokkene gelegen om gedurende de periode dat hij in het buitenland verbleef een gemachtigde aan te wijzen die voor hem bestemde post kon openen en daarop kon reageren. Voorts had ook kunnen worden volstaan met een met redenen omkleed draagkrachtverweer, zonder de bewijstukken bij te voegen. Gelet hierop heeft de kantonrechter met het eerst gevoerde draagkrachtverweer geen rekening behoeven te houden.

“ECLI:NL:GHARL:2016:8869” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2016:8865

Hoger beroep is mogelijk wanneer de sanctie niet meer dan €70,- bedraagt en de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens te late indiening daarvan (ECLI:NL:GHLEE:2000:ZJ0034). Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Artikel 14 van de WAHV bepaalt dat hoger beroep in WAHV-zaken mogelijk is in gevallen waarin de sanctie ten minste € 71,- bedraagt alsmede in gevallen waarin de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet (of niet tijdig) stellen van zekerheid.
Nu de betrokkene de ontvangst van de afzonderlijk verzonden motivering betwist en er geen deugdelijke verzendadministratie bestaat (ECLI:NL:GHARL:2015:4145), is de beslissing van de officier van justitie niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt, zodat hij tegen die beslissing redelijkerwijs geen beroepsgronden heeft kunnen indienen.

“ECLI:NL:GHARL:2016:8865” verder lezen