ECLI:NL:CRVB:2012:BV7730

Veroordeling van de Staat tot betaling van schadevergoeding aan betrokkene wegens schending van de redelijke termijn. Volgens vaste rechtspraak van de Raad eindigt een procedure over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist en die kosten tot uitbetaling zijn gekomen. Dit neemt niet weg dat in de onderhavige procedure uitsluitend de schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn door de rechter aan de orde is. De behandeling van het geding door de rechter is geëindigd met de uitspraak van de Raad. Die datum dient derhalve bij de vaststelling van de schade centraal te staan. Een verlenging van de behandelingsduur in hoger beroep vanaf de dag van verzending van de prejudiciële vraagstelling aan het HvJ EU tot en met de dag van de intrekking van deze vraagstelling, is gerechtvaardigd.

“ECLI:NL:CRVB:2012:BV7730” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029

Bij besluit heeft het Uwv appellantes bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2004 alsnog gegrond verklaard. Besloten is het recht op WW-uitkering te laten herleven over de periode van 7 oktober 2004 tot en met 23 mei 2005 en te zullen nabetalen. De Raad stelt vast dat met het nadere besluit geheel aan appellantes bezwaren is tegemoet gekomen, zodat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar hoger beroep. De Raad zal dit hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. De behandeling van het hoger beroep door de Raad heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift tot deze uitspraak vijf jaar en bijna vier maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. In de vervolgprocedure kan worden bezien in hoeverre een verlenging van de behandelingsduur in hoger beroep gerechtvaardigd is door de prejudiciële vraagstelling aan het HvJ EU.

“ECLI:NL:CRVB:2011:BR4029” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2010:BN7959

De Raad heeft op 21 juni 2011 de prejudiciële vraagstelling aan het HvJ EU ingetrokken, zie ECLI:NL:CRvB:2011:BR4029. Geen herleving WW-uitkering. Gelet op de in de uitspraak omschreven onduidelijkheden met betrekking tot de uitleg van het Unierecht besluit de Raad de volgende prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: 1. Moet artikel 71, eerste lid, sub b, van Vo 1408/71 aldus uitgelegd worden dat dit artikel ook van toepassing is op een werkneemster die na het verrichten van de laatste werkzaamheden, maar tijdens het ontvangen van een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid, haar woonplaats in een grensregio overbrengt naar een andere dan de bevoegde lidstaat? 2. Moet artikel 45 VWEU dan wel artikel 21 VWEU aldus worden uitgelegd dat daarmee verenigbaar is een nationale bepaling als artikel 19, eerste lid, onder f, van de WW, die de herleving van een aanspraak op een werkloosheidsuitkering afhankelijk stelt van de woonplaats van de betrokkene op het grondgebied van Nederland, zelfs indien betrokkene vlak over de Nederlandse grens woont en zich volledig richt op de Nederlandse arbeidsmarkt?

“ECLI:NL:CRVB:2010:BN7959” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2008:BH0271

Het besluit waarbij aan appellante de thans ingetrokken maatregel werd opgelegd, dateert van 28 november 2003. Appellante heeft daartegen op 15 december 2003 bezwaar gemaakt. Op het moment waarop de Raad zijn uitspraak over dit geschil doet is, uitgaande van 22 december 2003 als de datum waarop het Uwv het bezwaar heeft ontvangen en het geschil is ontstaan, een termijn van ongeveer vijf jaar verstreken. Gelet op het feit dat naast de bezwarenprocedures hier twee rechterlijke procedures tot in hoogste instantie zijn gevoerd, is de Raad van oordeel dat in dit geval de redelijke termijn niet is overschreden. Na eerdere vernietiging, die door de Raad in stand is gelaten, volgt nieuw besluit op bezwaar, waartegen opnieuw beroep en hoger beroep wordt ingesteld. Vanaf de datum waarop het Uwv het bezwaar heeft ontvangen is een termijn van ongeveer vijf jaar verstreken. Gelet op het feit dat naast de bezwarenprocedures hier twee rechterlijke procedures tot in hoogste instantie zijn gevoerd, is de Raad van oordeel dat in dit geval de redelijke termijn niet is overschreden. Met betrekking tot de stelling dat er geestelijk letsel is opgelopen vanwege de ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer, oordeelt de Raad dat het bestaan van de gestelde schade onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

“ECLI:NL:CRVB:2008:BH0271” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7273

Naar aanleiding van een klacht van de belanghebbende over de duur van de besluitvorming als bedoeld in artikel 6 van het EVRM dient de Raad te beoordelen of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Deze termijn begint in een procedure als de onderhavige te lopen op het moment waarop de belanghebbende bezwaar aantekent tegen het primaire besluit, tenzij in de bijzondere omstandigheden van het geval moet worden geoordeeld dat de toegang tot de rechter al op een eerder moment in het geding is. Indien wordt vastgesteld dat de totale duur van de procedure van dien aard is dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden en dat deze overschrijding geheel of gedeeltelijk een gevolg is van een niet-verontschuldigbare traagheid van besluitvorming door het bestuursorgaan, dient te worden beoordeeld of er termen aanwezig zijn om de belanghebbende voor het bestuurlijk aandeel in de termijnoverschrijding een compensatie te verlenen.

“ECLI:NL:CRVB:2004:AR7273” verder lezen