ECLI:NL:RVS:2014:188

De ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de als uitgangspunt gehanteerde termijnen gerechtvaardigd te achten. De gehanteerde redelijke termijn van vijf jaar voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan, vermoedelijk niet in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het EVRM. In niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die bekend zijn gemaakt vóór 1 februari 2014 geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan drie jaar mogen duren en dat in niet-punitieve procedures die volgen op primaire besluiten die bekendgemaakt zijn gemaakt op of na 1 februari 2014 als uitgangspunt geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer dan twee jaar mogen duren. Tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden.

“ECLI:NL:RVS:2014:188” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443

In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Dit laat echter onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang. Mede gelet op het belang dat in een rechtsstaat toekomt aan de toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, kan daarom in een dergelijk geval ook buiten de werkingssfeer van de genoemde artikelen niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het niet betalen van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit kan worden bereikt door aan te nemen dat de betrokkene met het achterwege laten van een betaling van griffierecht niet in verzuim is.

“ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2011:BR1257

De vreemdeling verblijft in de extra beveiligde inrichting te Vught. Het procesdossier biedt geen aanknopingspunten aan te nemen dat de vreemdeling over eigen vermogen beschikt, dan wel over andere inkomsten dan die, die hij verwerft met het verrichten van arbeid in de EBI. Ingevolge de Regeling arbeidsloon gedetineerden, bedraagt het uurloon maximaal € 0,76. De vreemdeling heeft geen aanspraak op een vast aantal werkuren per week. Onder deze omstandigheden vormt de verplichting tot het betalen van € 227,00 aan griffierecht voor het in behandeling nemen van een hoger beroep een wezenlijke inbreuk op het onder andere door artikel 47 van Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op toegang tot de rechter. Daarbij kan er niet aan worden voorbijgezien dat het bij het besluit op bezwaar gehandhaafde besluit een, voor de vreemdeling belastend, besluit is. Dat de vreemdeling het griffierecht niet heeft voldaan, staat dan ook niet aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in de weg.

“ECLI:NL:RVS:2011:BR1257” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617

De hoogste bestuursrechters hanteren alle als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Deze precisering van de benadering van het bewijs van ontvangst van niet-aangetekend verzonden stukken sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad en draagt aldus bij aan de rechtseenheid in het bestuursrecht.

“ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM0214

Artikel 6 van het EVRM geldt ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen. Het voornemen heeft geen rechtsgevolg en is derhalve niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In zaken, waarin geen sprake is van een punitieve sanctie, mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Deze termijn en de daarbinnen gehanteerde verdeling is ook van toepassing geacht in een procedure over een reguliere verblijfsvergunning. Nu belangen voor asielzoekers bij duidelijkheid over hun verblijfsstatus niet zwaarder wegen dan de belangen van vreemdelingen in andere procedures van verblijfsrechtelijke aard, dient in asielzaken in beginsel van dezelfde termijn en de daarbinnen gehanteerde verdeling te worden uitgegaan, waarbij, gelet op de uitsluiting van de bezwaarschriftenprocedure in asielzaken, een termijn van ten hoogste vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep eveneens ten hoogste twee jaar duren.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM0214” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM0213

Het voornemen is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, maar vormt een onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op aanvraag. Van een geschil is eerst sprake als afwijzend op een aanvraag wordt beslist en daartegen beroep wordt ingesteld. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de redelijke termijn in deze situatie aanvangt op de datum waarop beroep is ingesteld tegen dat besluit. Voor zaken zoals deze, waarin het geschil aanvangt met het instellen van beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag, het beroep vervolgens gegrond wordt verklaard en de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen, acht de Afdeling een termijn van ten hoogste twee jaar redelijk, waarbij de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Anders dan de staatssecretaris betoogt, moet in een geval als dit, waarin vernietiging door de rechtbank van een besluit waarbij een aanvraag is afgewezen, leidt tot herhaalde besluitvorming door de staatssecretaris op de oorspronkelijke aanvraag, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan worden toegerekend. De procedure heeft ruim twee jaar te lang geduurd.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM0213” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BJ4607

Zoals in de uitspraak van 3 december 2008 is overwogen, geldt het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen en noopt dat ertoe dat die procedures binnen een redelijke termijn worden beslecht, waarbij kan worden aangesloten bij de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de uitleg van deze verdragsbepaling. Uit deze jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van een procedure, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

“ECLI:NL:RVS:2009:BJ4607” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BI6092

De rechtbank is gehouden een beslissing te nemen op een verzoek tot vergoeding van schade, indien dat verzoek voor sluiting van het onderzoek ter zitting is gedaan en het beroep gegrond is verklaard. In deze zaak is in beroep bij de rechtbank om vergoeding van immateriële schade verzocht vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Bij de beoordeling geldt dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. De vreemdeling heeft op 23 februari 2006 bezwaar gemaakt wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 14 september 2004. De staatssecretaris heeft op 29 juni 2007 op het bezwaar beslist en de rechtbank heeft bij uitspraak 26 mei 2008 op het daartegen ingestelde beroep beslist. Aldus is sprake van een behandelingsduur die is gebleven binnen de termijn van drie jaar en is de redelijke termijn niet geschonden.

“ECLI:NL:RVS:2009:BI6092” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BI2283

Aangezien het geschil betrekking heeft op een verzoek om schadevergoeding in verband met een verblijfsrechtelijke procedure, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op artikel 6 van het EVRM worden gebaseerd. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan dat artikel mede ten grondslag ligt, geldt echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt er toe dat een dergelijk verzoek en het daaruit voortvloeiende geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste als neergelegd in artikel 6 van het EVRM op dat rechtsbeginsel berust, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over de uitleg van deze verdragsbepaling.

“ECLI:NL:RVS:2009:BI2283” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2008:BG5910

Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vallen procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen buiten het bereik van artikel 6 van het EVRM. Aangezien het geschil over de vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten is te herleiden tot de weigering aan haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. Hoewel de procedure thans bijna zeven jaar duurt, is in dit geval niet aannemelijk dat appellante door dat tijdsverloop zodanige spanning en frustratie heeft ondervonden, dat deze grond opleveren voor een financiële genoegdoening. Daartoe is redengevend dat het geschil louter op vergoeding van proceskosten betrekking heeft en appellante klaarblijkelijk geen belang had bij spoedige voldoening daarvan, omdat, zoals ter zitting is verklaard, zij op advies van haar gemachtigde gedurende de gehele periode voor de indiening van het beroepschrift niet heeft gerappelleerd ten einde een zo hoog mogelijk bedrag aan vertragingsrente te kunnen genereren.

“ECLI:NL:RVS:2008:BG5910” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2008:BG5913

Aangezien het geschil betrekking heeft op een verzoek om schadevergoeding in verband met een verblijfsrechtelijke procedure, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet op deze verdragsbepaling worden gebaseerd. De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 EVRM mede ten grondslag ligt, geldt echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt er toe dat een dergelijk verzoek en het daaruit voortvloeiende geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste als neergelegd in artikel 6 EVRM op dat rechtsbeginsel berust, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over de uitleg van deze verdragsbepaling.

“ECLI:NL:RVS:2008:BG5913” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2007:BA7572

De regels uit de Vw 2000 op grond waarvan de vreemdeling recht had op de verblijfsvergunning die haar uiteindelijk ook is verleend, hebben tot doel haar een recht op bestendig verblijf in Nederland te verlenen en strekken niet tot bescherming van vermogenrechtelijke belangen van de vreemdeling. Weliswaar stelt de vergunningverlening de vreemdeling in staat hier te lande een bestaan op te bouwen, omdat het recht in Nederland in aanmerking te komen voor voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen is gebaseerd op rechtmatig verblijf. Dit betekent niet dat de verlening van een verblijfsvergunning als hier aan de orde ertoe strekt de vreemdeling in staat te stellen inkomen te verwerven. Dat recht ontstaat pas na een beoordeling op grond van de wetten en overige regels waarin is bepaald wie en onder welke voorwaarden, waaronder rechtmatig verblijf, daarop aanspraak kan maken. De vermogensrechtelijke belangen spelen ook geen rol bij de beoordeling van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning.

“ECLI:NL:RVS:2007:BA7572” verder lezen

ECLI:NL:HR:2007:AZ8751

Op zichzelf is juist dat de toelating van een vluchteling tot Nederland de vluchteling in staat stelt hier te lande een nieuw bestaan op te bouwen. Dit betekent echter niet dat de toelating als vluchteling ertoe strekt deze in staat te stellen inkomen (uit betaalde arbeid) te verwerven. Het recht in Nederland betaalde arbeid te verrichten vloeit voort uit de toelating als vluchteling, en ontstaat pas nadat hij in Nederland als vluchteling is toegelaten. Zij strekt niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van de vluchteling. Het belang van de vluchteling om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven speelt bij de beoordeling tot toelating als vluchteling geen rol en de Staat dient bij zijn beslissing omtrent de toelating als vluchteling hiermee geen rekening te houden. Als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, heeft de aanvrager toegang tot de rechter om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van schade als hier door verweerster is gevorderd.

“ECLI:NL:HR:2007:AZ8751” verder lezen