ECLI:NL:GHARL:2016:5109

De advocaat-generaal voert aan dat de bezwaren niet ter beoordeling staan, omdat de kantonrechter de brief van de gemachtigde gelet op de inhoud daarvan ten onrechte heeft aangemerkt als beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. De brief is gericht aan de officier van justitie en strekt tot het nemen van een beslissing op een Wob-verzoek en het vaststellen van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op een Wob-verzoek. Gelet daarop kan deze brief niet worden aangemerkt als een beroepschrift gericht tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep. Dat brengt mee dat de kantonrechter de brief ten onrechte heeft aangemerkt en behandeld als beroepschrift. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en alsnog verstaan dat geen beroep is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.

“ECLI:NL:GHARL:2016:5109” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2014:4448

Bij besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom heeft verbeurd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een door appellant ingediend verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob-verzoek).
Ingevolge artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb kan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen kan het bestuursorgaan niet krachtens 4:17, eerste lid, van de Awb een dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. De Afdeling overweegt dat in lijn met deze uitspraak moet worden geoordeeld dat ook geen dwangsom wordt verbeurd bij het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit.

“ECLI:NL:RVS:2014:4448” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2014:4185

Bij besluit van 12 november 2012 heeft de minister vastgesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig nemen van een besluit op een door [appellant] ingediend verzoek om verstrekking van stukken betreffende een aan [appellant] opgelegde verkeersboete.

“ECLI:NL:RVS:2014:4185” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2014:4129

De in artikel 13, eerste lid, van Boek 3 van het BW neergelegde regel dat een bevoegdheid niet kan worden ingeroepen voor zover deze wordt misbruikt, vindt ingevolge artikel 15 van Boek 3 van het BW ook toepassing buiten het vermogensrecht. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zijn zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd.
Voor het procesgedrag kan geen andere plausibele verklaring worden gevonden dan het oogmerk om ten laste van de overheid dwangsommen en proceskostenvergoedingen te incasseren.

“ECLI:NL:RVS:2014:4129” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2014:1290

Uit de geschiedenis van wettelijke bepalingen volgt dat de ingebrekestelling is bedoeld om het bestuursorgaan aan te sporen om alsnog binnen een termijn van twee weken een besluit te nemen en aldus de dwangsomregeling als het ware te activeren. Er zijn echter geen aanknopingspunten dat de wetgever heeft beoogd om de ingebrekestelling om die reden aan te merken als een aanvraag in de zin van de Awb. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat onder deze omstandigheden het nemen van een dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag in de zin van de Awb is en de staatssecretaris dientengevolge niet krachtens die bepaling een dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.
Het was aan appellanten om twee weken na die ingebrekestelling desgewenst bij de rechter beroep in te stellen.

“ECLI:NL:RVS:2014:1290” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2014:911

Ter beoordeling staat of het particuliere bedrijf een bestuursorgaan in de zin van de Awb is. Voor het antwoord op de vraag of dit bedrijf met enig openbaar gezag is bekleed, is bepalend of aan hem een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het bepalen van een rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Uit de Aanwijzing noch uit enig wettelijk voorschrift volgt dat aan het particuliere bedrijf een dergelijke publiekrechtelijke bevoegdheid is toegekend.
Het ijken van de boordsnelheidsmeter is een handeling die wordt verricht aan een bewijsmiddel dat wordt gebruikt bij de vaststelling van een snelheidsovertreding. Deze handeling houdt niet de uitoefening van openbaar gezag in, nu het niet het bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten betreft.

“ECLI:NL:RVS:2014:911” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2013:1133

Het verzoek om betaling van een dwangsom is afgewezen. Het verzoek van appellante is terecht niet opgevat als een Wob-verzoek. De brieven hebben als onderwerp “beroepschrift” en erin zijn gronden geformuleerd tegen de opgelegde sanctie. Aan het eind van de brieven verzoekt appellante om toezending van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal en eventuele andere stukken uit het dossier. Zij refereert daarbij niet aan de Wob. Gelet op de omstandigheid dat het verzoek om toezending is gedaan in het kader van een WAHV-procedure, diende het verzoek in het kader van die procedure te worden begrepen.
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het in het kader van een Wahv-procedure mogelijk is op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb stukken uit te wisselen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

“ECLI:NL:RVS:2013:1133” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2013:910

Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft de minister naar aanleiding van een verzoek van RTL Nederland om verstrekking van “geanonimiseerde afschriften van alle processen-verbaal van de Rijksrecherche in het oriënterende onderzoek volgend op een aangifte van De Nederlandsche Bank op of rond 16 december 2009 van een vermoedelijke overtreding van de geheimhoudingsbepalingen uit de Wet financieel toezicht en geanonimiseerde afschriften van alle onderliggende documenten van dat onderzoek” vastgesteld dat 42 documenten onder dat verzoek vallen, daarvan 21 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en geweigerd 13 documenten openbaar te maken. De overige 8 documenten zijn volgens hem reeds in het bezit van RTL Nederland.

“ECLI:NL:RVS:2013:910” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2013:BZ3975

Besluit waarbij verweerder een deel van de door appellant op grond van de Wob verzochte documenten heeft verstrekt, waaronder een akte van aanstelling. Naar aanleiding van het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift is bij besluit alsnog een ontbrekend stuk, een wijzigingsbesluit, verstrekt onder toekenning van een proceskostenvergoeding met de wegingsfactor “zeer licht” (0,25). De Afdeling overweegt dat nu het primaire besluit niet strekt tot openbaarmaking van het wijzigingsbesluit, dient dit besluit te worden aangemerkt als een weigering het wijzigingsbesluit openbaar te maken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan het in bezwaar alsnog verstrekken van dit document niet anders worden aangemerkt dan als een openbaarmaking in de zin van de Wob. Het geschil was gelet hierop inhoudelijk van aard. De Afdeling is van oordeel dat de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel behoort tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is in de voorliggende zaak niet gebleken.

“ECLI:NL:RVS:2013:BZ3975” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2012:BY5083

Gedeeltelijke afwijzing Wob-verzoek appellant aan afdelingshoofd om toezending van stukken die betrekking hebben op een aan hem opgelegde naheffingsaanslag. Parkstad Limburg is een samenwerkingsverband tussen de gemeente Heerlen en zeven andere Limburgse gemeenten. Het is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het afdelingshoofd is bij besluit door het dagelijks bestuur van Parkstad Limburg aangewezen als gemeenteambtenaar, als bedoeld in de Gemeentewet. Het afdelingshoofd is een bestuursorgaan als bedoeld in de Awb. Het afdelingshoofd heeft uiteengezet dat aan de GBRD de heffing en invordering van de gemeentelijke belastingen ten behoeve van de gemeenten binnen het samenwerkingsverband Parkstad Limburg zijn opgedragen. In een dienstverleningsovereenkomst is vastgelegd op welke wijze de GBRD deze taken moet uitvoeren. Aangezien het afdelingshoofd zich bij de uitvoering van deze taken naar de opdracht van de betrokken gemeenten dient te richten, is hij een onder verantwoordelijkheid van deze gemeenten werkzaam bestuursorgaan, als bedoeld in de Wob. Het afdelingshoofd heeft zich terecht bevoegd geacht een besluit te nemen op het verzoek van appellant om openbaarmaking van de gevraagde stukken, die zich bij de GBRD bevinden. Dat het college, als het verantwoordelijke bestuursorgaan, eveneens op dat verzoek mocht beslissen, doet aan de bevoegdheid van het afdelingshoofd niet af.

“ECLI:NL:RVS:2012:BY5083” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2012:BX1061

Ingevolge de Flora- en faunawet zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet onder meer de bij besluit van het college aangewezen ambtenaren belast. Door deze attributie van de toezichthoudende bevoegdheid zijn de toezichthouders op grond van de Awb weliswaar zelf een bestuursorgaan, maar werken zij in dit verband onder verantwoordelijkheid van het college. Dat de toezichthouders in dienst zijn van de provincie Gelderland laat deze verantwoordelijkheidsrelatie onverlet.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, verzetten de bepalingen van de Wob zich er niet tegen dat een bestuursorgaan, onder wiens verantwoordelijkheid een ander bestuursorgaan werkzaam is, bevoegd is om op een Wob-verzoek te beslissen, indien de informatie waarom is verzocht in documenten bij het ondergeschikte orgaan berust.

“ECLI:NL:RVS:2012:BX1061” verder lezen

ECLI:NL:CBB:2012:BV0842

Het College stelt in dit verband voorop dat appellanten in een procedure als de onderhavige geen rechten kunnen ontlenen aan het bepaalde in artikel 6 van het EVRM, aangezien deze procedure wat betreft appellanten geen betrekking heeft op enig burgerlijk recht of burgerlijke verplichting, maar op het algemeen belang dat gemoeid is met openbaarmaking van de aan de orde zijnde gegevens. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Sedert de ontvangst van het bezwaarschrift van appellanten, is ten tijde van deze uitspraak van het College bijna zes jaar en negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder twee jaar en drie maanden geduurd en heeft de behandeling van het beroep door het College, vanaf de ontvangst van het beroepschrift, ruim vier jaar en vijf maanden geduurd.

“ECLI:NL:CBB:2012:BV0842” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2011:BR3196

De minister heeft een wob-verzoek met betrekking tot de inlijving van een familie in de Nederlandse adel gedeeltelijk afgewezen. De Hoge Raad van Adel is bij de Wet op de adeldom ingesteld en heeft de taak om de minister te adviseren over verzoeken tot verlening van adeldom. Het advies is is verzocht en uitgebracht in het kader van de uitoefening van die publieke taak. Nu de Hoge Raad van Adel het advies heeft uitgebracht in zijn hoedanigheid van adviescollege, kan hetgeen in dat advies is neergelegd niet worden aangemerkt als persoonlijke beleidsopvattingen. Artikel 11, eerste lid, van de Wob neergelegde bescherming van deze opvattingen is in dit geval dan ook niet aan de orde. Een bestuursorgaan dient, indien het weet dat bij een ander bestuursorgaan andere stukken berusten waarop het bij hem ingediende Wob-verzoek eveneens betrekking heeft, niet alleen zelf een besluit te nemen op dat verzoek, maar dat tevens door te zenden. In dit geval doet zich echter de situatie voor dat appellant reeds zelf een Wob-verzoek had ingediend bij de Hoge Raad van Adel. Onder deze omstandigheden bestond geen belang meer bij de doorzendplicht. In deze procedure is de redelijke termijn overschreden. Er zijn geen omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen.

“ECLI:NL:RVS:2011:BR3196” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2011:BQ5933

Bij brief van 14 april 2009 heeft de VNG, in antwoord op een door De Winter met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) gedaan verzoek om verstrekking van documenten, hem medegedeeld dat documenten over het desbetreffende onderwerp op haar website zijn gepubliceerd en dat zij niet over andere documenten over dat onderwerp beschikt. De VNG heeft hem daarbij tevens medegedeeld dat zij niet onder de werking van de Wob valt.

“ECLI:NL:RVS:2011:BQ5933” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2011:BP4737

Bij besluit van 5 januari 2009 heeft de minister een verzoek van [verzoeker] om openbaarmaking van informatie gedeeltelijk afgewezen. Hoewel in beginsel per document of onderdeel daarvan moet worden gemotiveerd op welke grond openbaarmaking daarvan achterwege wordt gelaten, kan daarvan onder omstandigheden worden afgezien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Dat afzien kan, indien meer dan één weigeringsgrond van toepassing is geacht op een document dat uit verschillende onderdelen bestaat, slechts indien voldoende kenbaar is welke weigeringsgrond op welk onderdeel ziet.

“ECLI:NL:RVS:2011:BP4737” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BO5710

De vraag of aan [appellant] kennisneming van processtukken als bedoeld in artikel 31 van het Wetboek van Strafvordering mocht worden onthouden, is in deze procedure niet aan de orde, nu tegen het onthouden van de kennisneming van processtukken aan de verdachte geen rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat.
Politiewet verzet zich er niet tegen dat een medewerker van de politie wordt gemandateerd om de korpsbeheerder in rechte te vertegenwoordigen.
De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat in het kader van openbaarmaking op grond van de Wob dan wel verstrekking op grond van de Wet politiegegevens de juistheid van de in de gevraagde documenten vervatte gegevens niet ter beoordeling staat. Slechts ter beoordeling staat of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder bepaalde documenten gedeeltelijk en andere niet openbaar hoefde te maken dan wel te verstrekken.

“ECLI:NL:RVS:2010:BO5710” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BN5701

Het begrip “bestuurlijke” ziet op het openbaar bestuur in al zijn facetten en betreft ook de interne organisatie. Het systeem van de Wob biedt geen aanknopingspunten voor de juistheid van het standpunt dat het verstrekken van onderdelen van die documenten achterwege kan blijven op de grond dat die onderdelen geen betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid. Gronden voor beperking van de openbaarmaking van de daarin vervatte informatie kunnen uitsluitend worden gevonden in de artikelen 10 en 11 van de Wob. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, eerste lid, van de Wob blijkt dat het doel van de daarin neergelegde bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen is de bescherming van de vrije meningsvorming, het belang om in vertrouwelijke sfeer te kunnen “brainstormen” zonder vrees voor gezichtsverlies en het kunnen waarborgen dat bij de primaire vormgeving van het beleid de betrokkenen in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen kunnen uiten. Onder persoonlijke beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van één of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.

“ECLI:NL:RVS:2010:BN5701” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BN5684

In de verzoeken van de wederpartij is aangegeven over welke op zijn ambtelijke rechtspositie en de voorbereiding van het ontslag betrekking hebbende stukken hij wenst te beschikken. De wederpartij heeft zich in die verzoeken niet beroepen op, noch verwezen naar de Wob. Het college had het verzoek van wederpartij niet mogen afdoen met toepassing van de Wob en had het bezwaar van wederpartij niet-ontvankelijk dienen te verklaren.
De uitspraak van de rechtbank is gedaan na 1 oktober 2009. Met die uitspraak is een nieuwe termijn gaan lopen waarbinnen het college diende te beslissen op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Wederpartij heeft het college in gebreke heeft gesteld en verzocht om vaststelling van de hoogte van de verbeurde dwangsom.

“ECLI:NL:RVS:2010:BN5684” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BN3737

Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat het document toch bij dat bestuursorgaan berust.
Nu het besluit niet strekte tot openbaarmaking van deze documenten, dient dit besluit te worden aangemerkt als een weigering tot openbaarmaking daarvan. Het in bezwaar alsnog verstrekken van genoemde documenten, kan derhalve niet anders worden aangemerkt dan als een openbaarmaking in de zin van de Wob.
Op grond van de Gemeentewet komt de bevoegdheid om verweerschriften en andere stukken in te dienen in dezen toe aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen.

“ECLI:NL:RVS:2010:BN3737” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM2629

In beginsel moet per document of onderdeel daarvan worden gemotiveerd dat aan de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten doorslaggevend gewicht toekomt, daarvan onder omstandigheden kan worden afgezien als dat zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Geanonimiseerde documenten die zijn verstrekt naar aard en onderwerp komen in hoge mate overeen. Per passage motiveren zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen. Het college behoefde daarom in dit geval niet voor ieder document afzonderlijk een afweging te maken. De weggelakte passages bevatten de specifieke feiten en omstandigheden die aanleiding zijn geweest voor het opleggen van een disciplinaire straf of maatregel wegens plichtsverzuim. Openbaarmaking van deze informatie, gegeven de omstandigheid dat het aantal ambtenaren van de provincie betrekkelijk beperkt is, kan leiden tot het achterhalen van de identiteit van de betrokken ambtenaar en dat openbaarmaking kan leiden tot persoonlijke schade.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM2629” verder lezen