ECLI:NL:CRVB:2015:2800

De Raad stelt voorop dat het mogelijk is om in (hoger) beroep te komen uitsluitend tegen de beslissing over de vergoeding van proceskosten. Zie ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522.
Het feit dat de gemachtigde procedeert op basis van ‘no cure no pay’ en dat betrokkene ermee heeft ingestemd dat een eventuele proceskostenvergoeding aan zijn gemachtigde wordt uitbetaald, betekent niet dat in een dergelijk geval een procesbelang voor de betrokkene ontbreekt. Aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand staat immers niet in de weg dat die bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’. Uitgangspunt van het in het Bpb opgenomen forfaitaire vergoedingsstelsel is dat voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand kosten in rekening worden gebracht. Nu sprake is van een forfaitair stelsel, is de hoogte van de werkelijk in rekening gebrachte kosten voor de beantwoording van de vraag of een tegemoetkoming in de gemaakte proceskosten moet worden toegekend, niet relevant.
De rechtbank heeft voor alle proceshandelingen het gewicht van de zaak als gemiddeld aangemerkt, maar het bijwonen van de zitting als licht (factor 0,25). Dit oordeel heeft de rechtbank niet gemotiveerd. Anders dan de rechtbank, ziet de Raad geen aanleiding om in dit geval een andere wegingsfactor dan gemiddeld te hanteren met betrekking tot het bijwonen van de zitting.

“ECLI:NL:CRVB:2015:2800” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522

De Raad stelt voorop dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de hoogte van de proceskostenveroordeling. De rechtbank heeft het gewicht van de zaak als zeer licht (factor 0,25) aangemerkt, maar heeft dit oordeel niet gemotiveerd. De Raad stelt vast dat het beroep was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, waarbij de gemachtigde van appellante heeft betoogd dat de brief van appellante van 1 februari 2009 als een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand moet worden aangemerkt en de brief van 13 maart 2009 van het College als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De Raad is van oordeel dat de gewichtfactor van deze zaak als gemiddeld (factor 1) moet worden aangemerkt. Het standpunt van het College dat de rechtbank het gewicht van de zaak terecht als zeer licht heeft aangemerkt, omdat appellante geen belang meer had bij een uitspraak nu zij inmiddels een aanvraag had ingediend, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft het beroep immers niet niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een procesbelang, terwijl de later ingediende aanvraag om bijstand niet afdoet aan de zwaarte van de in beroep te beoordelen zaak.

“ECLI:NL:CRVB:2011:BU4522” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BI3772

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Ingevolge artikel 3:309 van het BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger is bekend geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. Aansluiting zoekend bij dit artikel is de Raad van oordeel dat de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand als hier aan de orde aanvangt op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten en omstandigheden waaruit voldoende kan worden afgeleid dat ten onrechte bijstand is verleend en dat een besluit tot terugvordering zal volgen. Nu bij uitspraak van de rechtbank in rechte is komen vast te staan dat betrokkene binnen vijf jaar bekend is geworden met het besluit van 27 februari 2003 moet worden geconcludeerd dat de vordering over de periode van 27 februari 1998 tot en met 22 december 1998, ten tijde in geding niet was verjaard.

“ECLI:NL:CRVB:2009:BI3772” verder lezen