ECLI:NL:CRVB:2010:BP0852

De rechtbank dient als een beroep wordt gedaan op overschrijding van de redelijke termijn een oordeel te geven, uitgaande van de behandelingsduren voor bezwaar en beroep, die in beginsel twee jaar bedraagt. De schadeprocedure, waarin uitsluitend de schade in verband met de redelijke termijn aan de orde is, dient niet in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Een procedure over de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid eindigt pas als over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist en die kosten tot uitbetaling zijn gekomen. Niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.

“ECLI:NL:CRVB:2010:BP0852” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2010:BN5961

De procedure waarbij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid centraal stond, en deze beroepsprocedure onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en voor het beantwoorden van de vraag of de redelijke termijn is overschreden als één procedure moeten worden beschouwd. Een procedure eindigt pas als over het geschil en alle daarmee samenhangende kosten is beslist en die kosten tot uitbetaling zijn gekomen. In dit geval is niet eerder dan bij de aangevallen uitspraak beslist over het resterende geschilpunt, zodat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat met haar uitspraak de procedure is geëindigd. Dat betrokkene pas in de tweede procedure om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, leidt niet tot een andere conclusie. Immers, de redelijke termijn is pas tijdens de tweede procedure overschreden. De procedure tot vaststelling van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn telt niet mee bij de berekening van de redelijke termijn.

“ECLI:NL:CRVB:2010:BN5961” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2010:BM4034

In de eerste procedure is een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd te achten nu de hoorzitting in de eerste bezwaarfase op verzoek van betrokkene tot driemaal toe is uitgesteld. De Raad kan zich hierin vinden en gaat uit van een totale behandelingsduur van vier jaar en vier maanden. In het geding speelt daarbij nog mee dat bij de uitspraak van de Raad van 25 juni 2009 onherroepelijk is vastgesteld dat betrokkene geen aanspraak op een arbeidsongeschiktheidsuitkering had, zodat aan de met de procedure gepaard gaande spanning en frustratie op dat moment een einde is gekomen. Indien een rechtbank of de Raad in een separate procedure de hoogte van de schadevergoeding vaststelt, mag deze procedure niet onnodig lang duren. De Raad neemt in aanmerking dat zowel de eerste als de tweede en de derde procedure betrekking had op betrokkenes recht op een WAO-uitkering, zodat deze procedures betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie was door de tweede en de derde procedure derhalve geen sprake.

“ECLI:NL:CRVB:2010:BM4034” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2010:BM2551

De redelijke termijn is gaan lopen op het moment van ontvangst van het bezwaar tegen het besluit. Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank waren negen jaar en bijna zeven maanden verstreken. De redelijke termijn was met vijf jaar en bijna zeven maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 6.000,–. Nu de rechtbank de Staat tot een schadevergoeding van € 4.000,– en het Uwv tot een schadevergoeding van € 1.000,– heeft veroordeeld, in totaal € 5.000,–, moet worden geconcludeerd dat de rechtbank de schadevergoeding te laag heeft vastgesteld. Ten tijde van deze uitspraak zijn tien jaar en acht maanden verstreken. De redelijke termijn is derhalve met zes jaar en acht maanden overschreden. De toe te kennen schadevergoeding bedraagt thans derhalve € 7.000,–. Met de door de rechtbank aan de Staat opgelegde schadevergoeding van € 4.000,– is het aandeel van de Staat niet onderschat. Er komt derhalve € 3.000,– voor rekening van het Uwv. De Raad zal het Uwv tot deze schadevergoeding veroordelen.

“ECLI:NL:CRVB:2010:BM2551” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125

Het Uwv heeft bijgedragen aan de schending van de redelijke termijn. De behandelingsduur van een half jaar voor de bezwaarfase is langer dan de wettelijke beslistermijn, binnen welke het Uwv zijn besluit had moeten afgeven. Voor de behandeling in hoger beroep kan geen langere behandelingsduur gerechtvaardigd worden geacht in verband met de inschakeling van een deskundige. De behandelingsduren die voor de rechterlijke fase gelden, bieden in het algemeen voldoende ruimte voor het normale verloop van een proces, de inschakeling van een deskundige daaronder begrepen. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal een langere behandelingsduur gerechtvaardigd zijn. De overschrijding van de redelijke termijn in de tweede procedure dient niet tot een hogere schadevergoeding te leiden. Zowel de eerste als de tweede procedure had betrekking op appellants recht op een WAO-uitkering, zodat zij in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie was door de tweede procedure derhalve geen sprake.

“ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044

In een geval waarin een vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

“ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991

Het Uwv heeft, met inachtneming van de overwegingen van de Raad, appellante wederom medisch onderzocht. Naar aanleiding daarvan heeft het Uwv de arbeidsongeschiktheid gesteld op 25 tot 35%. De rechtbank heeft onder meer overwogen geen aanknopingspunten te kunnen vinden voor het oordeel dat de door het Uwv ten aanzien van appellante vastgestelde beperkingen onjuist of onvolledig zouden zijn. De Raad kan zich in grote lijnen verenigen met het oordeel van de rechtbank. De Raad is van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de Raad van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en – eventueel – een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak zijn zeven jaar en ruim tien maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met drie jaar en ruim tien maanden overschreden.

“ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2008:BG5163

Met ingang van 8 november 2001 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Bij besluit van 3 juni 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 4 augustus 2004 ingetrokken. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en bijna vijf maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank en van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het beroepschrift bij de rechtbank op in totaal drie jaar en vier maanden geduurd. Van de gezamenlijke behandelingsduur door de rechtbank en de Raad kan derhalve niet worden gezegd dat daarmee de redelijke termijn is overschreden.

“ECLI:NL:CRVB:2008:BG5163” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2008:BD7033

Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt met zich dat alvorens tot intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt overgegaan, de betrokkene op de hoogte dient te worden gesteld van de medische beperkingen die naar het oordeel van het bestuursorgaan voor hem gelden, alsmede van de functies die hij met deze beperkingen zou kunnen vervullen. De voorgehouden functies behoeven niet met de betrokkene te worden besproken. Wel is vereist dat het voor de betrokkene voldoende duidelijk is welke zijn arbeidsmogelijkheden zijn. Na confrontatie met de opvatting dat betrokkene geschikt is voor passende werkzaamheden, dient een uitlooptermijn te worden gegund. Deze confrontatie kan geschieden in een gesprek met de betrokkene. Ook een schriftelijke aanzegging is mogelijk. In het voorliggende geval heeft de aanzegging van de nieuwe, in de bezwaarfase geselecteerde functies alleen aan de gemachtigde van appellant plaatsgevonden. Deze aanzegging kan derhalve niet als startpunt van de uitlooptermijn gelden. Bestuursrechter moet schadevergoeding voor rechterlijke overschrijding redelijke termijn zelf afdoen.

“ECLI:NL:CRVB:2008:BD7033” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537

Arbeidsdeskundige heeft op 12 april 2000 in een brief medegedeeld dat hij tot de conclusie gekomen dat het verlies aan verdienvermogen minder dan 15% bedraagt. In deze brief staat vermeld dat appellante pas bezwaar kan maken als zij hieromtrent een officiële beslissing van het Uwv heeft ontvangen. De gemachtigde heeft bij brieven van 25 juli 2000, 9 juli 2001, 26 maart 2002 en 26 augustus 2004 verzocht om een beslissing. Uiteindelijk heeft het Uwv bij besluit van 6 september 2004 medegedeeld dat appellante vanaf 29 mei 1999 geen recht heeft op een uitkering op grond van de WAO. Naar vaste jurisprudentie van de Raad vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM aan als op zijn minst gesproken kan worden van een geschil tussen partijen. Over het algemeen zal dat zijn op het moment dat een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of, in voorkomende gevallen, tegen het uitblijven daarvan. In de bijzondere omstandigheden van dit geval is de Raad van oordeel dat de redelijke termijn is aangevangen met de brief van de gemachtigde van 25 juli 2000.

“ECLI:NL:CRVB:2008:BC7537” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643

Weigering WAO-uitkering onder overweging dat bij betrokkene geen sprake is van arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waarvoor hij uitkering heeft ontvangen. Appellants gemachtigde heeft zich ter zitting van de Raad nog op het standpunt gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn nu de beslissing op bezwaar is genomen vijf jaren na de in geding zijnde datum. De Raad kan de gemachtigde hierin niet volgen. Volgens vaste jurisprudentie vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM aan op het moment dat er – op zijn minst – een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of tegen het uitblijven daarvan. De Raad ziet geen aanleiding in casu van dit uitgangspunt af te wijken. Geen aanleiding tot veroordeling schadevergoeding.

“ECLI:NL:CRVB:2005:AU5643” verder lezen