ECLI:NL:RVS:2014:4682

Als uitgangspunt geldt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit naar het juiste adres is verzonden.
Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvan is sprake indien voldoende duidelijk is op welke aanvraag het geschrift betrekking heeft. Het faxbericht kan, gelet op de bewoordingen, worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van de Awb. Ingevolge het derde lid van dit artikel was het college na deze ingebrekestelling een dwangsom verschuldigd.

“ECLI:NL:RVS:2014:4682” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2011:BP3711

Bij besluit van 16 december 2009 heeft het college een verzoek van [appellanten] om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot een schapen- en rundveehouderij aan de Vissersweg (ongenummerd) te Appeltern, afgewezen.
Indien het bestuursorgaan prematuur in gebreke is gesteld en het vervolgens de verschuldigdheid van een dwangsom afwijst, is die afwijzing een besluit.

“ECLI:NL:RVS:2011:BP3711” verder lezen

ECLI:NL:CBB:2010:BN6785

Productschap Tuinbouw heeft appellanten niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar, gericht tegen een aantal opgelegde naheffingen voor boomkwekerijproducten over de jaren 1998 tot en met 2002. Bezwaartermijn is overschreden en is niet verschoonbaar. Appellanten zijn terecht niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar. De vraag of de redelijke termijn bij de behandeling van een geschil is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van partijen gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellanten. Het College stelt vast dat de behandeling van het bezwaar en beroep in de onderhavige zaak – te rekenen vanaf de dag van ontvangst van het bezwaarschrift tot de dag van uitspraak van het College – bijna vijf jaar en acht maanden heeft geduurd, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn van bijna 2 jaar en acht maanden betekent.

“ECLI:NL:CBB:2010:BN6785” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BN4254

In geval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, dient het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Eerst dan is het aan het bestuursorgaan dat het stuk heeft verzonden om de ontvangst daarvan aannemelijk te maken. Met het plaatsen van het verzendstempel is slechts aannemelijk dat de brief de behandelende afdeling heeft verlaten. Met het stempel is echter niet aannemelijk gemaakt dat de brief daadwerkelijk via het centraal afhaalpunt en de postkamer het gemeentehuis heeft verlaten en naar het postadres is verzonden. Omdat op de postkamer geen registratie heeft plaatsgevonden van de verzending naar het postadres, heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat de brief is verzonden naar dit postadres.

“ECLI:NL:RVS:2010:BN4254” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2010:BM4185

DMH heeft in een aan het college gerichte brief van 10 december 2009 herinnerd aan de verplichting om tijdig een besluit te nemen omtrent de goedkeuring van het werkplan. Deze brief kan op dit punt derhalve als een ingebrekestelling worden opgevat. Aangezien het college heeft nagelaten om binnen twee weken alsnog een besluit te nemen omtrent de goedkeuring van het werkplan, is het beroep kennelijk gegrond.

“ECLI:NL:RVS:2010:BM4185” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0790

De Raad stelt vast dat het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken en dat betrokkene heeft verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep. De Raad constateert verder dat, nu het Uwv blijkens de aangevallen uitspraak reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg, hier nog slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De in verband met het hoger beroep door de gemachtigde van betrokkene gemaakte reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu betrokkene zelf niet aanwezig is geweest bij de zitting van 5 november 2008 en het Bpb niet voorziet in vergoeding van de door een professionele gemachtigde gemaakte reiskosten. Met betrekking tot het namens betrokkene gedane verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente overweegt de Raad dat artikel 21a van de Beroepswet niet de mogelijkheid biedt in hoger beroep, nadat het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken, toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb.

“ECLI:NL:CRVB:2009:BJ0790” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. In dit geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep. De Raad merkt daarbij de bezwaarfase als een afzonderlijke instantie aan, nu het hier gaat om een in beginsel verplichte procedure voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak is bijna 5,5 jaar verstreken. Dit is meer dan 2,5 jaar. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot de datum van het bestreden besluit zijn negen maanden verstreken. In dit geval is echter van een te lange behandelingsduur bij verweerster geen sprake, nu verweerster noodzakelijkerwijs – extern – archiefonderzoek heeft moeten doen, de gemachtigde van appellant na de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure nog nadere stukken heeft ingezonden en ook anderszins geen sprake is geweest van stilliggen van de bezwaarprocedure.

“ECLI:NL:CRVB:2009:BI2179” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2009:BH4667

De Stichting heeft niet voldaan aan de bij de besluiten tot subsidievaststelling aan haar opgelegde verplichting tot medewerking aan controle, waardoor niet tijdig de rechtmatigheid van de verstrekte subsidies kon worden vastgesteld. Dat voorafgaand aan de vaststelling ook controle heeft plaatsgevonden, betekent niet dat geen nadere controles konden plaatsvinden. De behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep mogen tezamen niet meer dan drie jaar duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. De rechtbank mag echter niet anticiperen op een mogelijke voortvarende behandeling van een eventueel tegen haar uitspraak in te stellen hoger beroep en evenmin vanwege de mogelijkheid van hoger beroep zich van een oordeel over de schending van de redelijke termijn onthouden. Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank had de procedure van bezwaar en beroep zes jaar en ruim tien maanden geduurd, terwijl deze ten hoogste drie jaren had mogen duren.

“ECLI:NL:RVS:2009:BH4667” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009

Uit deze jurisprudentie van het EHRM leidt de Raad af dat er ruimte bestaat voor een vergoedingensysteem op nationaal niveau, waarbij niet zonder meer aangesloten behoeft te worden bij de door het EHRM gehanteerde berekeningswijze en de bedragen die het EHRM in gevallen van overschrijding van de redelijke termijn toekent. Heeft de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de verschillende instanties in beginsel binnen de volgende termijnen zouden moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Is in een of meer instanties sprake van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, dan is er een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel.

“ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2008:BG8283

Het Hof van Justitie heeft op de eerste en zevende vraag van de Afdeling – die betrekking hebben op de bevoegdheidsgrondslag om tot intrekking van de subsidievaststelling en terugvordering van de uitbetaalde bedragen over te gaan – geantwoord dat de Coördinatieverordening voor de lidstaten, zonder dat een bevoegdheidsattributie naar nationaal recht noodzakelijk is, een verplichting schept om als gevolg van misbruik of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen. Het Hof van Justitie heeft op de derde en de vierde vraag van de Afdeling – die betrekking hebben op de rechtsbeginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen – geantwoord dat de nationale rechter uitvoering moet geven aan de verplichting die uit de Coördinatieverordening voortvloeit wanneer aan hem een verzoek tot terugvordering van verstrekte subsidie als gevolg van misbruik of nalatigheid van verloren middelen wordt voorgelegd. Het Hof van Justitie heeft voorts op de vijfde vraag geantwoord dat bij deze beoordeling door de nationale rechter het feit dat de begunstigde van de gelden een publiekrechtelijke rechtspersoon is, irrelevant is.

“ECLI:NL:RVS:2008:BG8283” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2008:BC7639

De toenmalige gemachtigde heeft geen afschrift van het besluit ontvangen, waardoor het bezwaarschrift door de gemachtigde na afloop van de bezwaartermijn is ingediend. Het optreden van een gemachtigde heeft tot gevolg dat het contact met een belanghebbende in beginsel via die gemachtigde verloopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden.
Volgens vaste jurisprudentie is het, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten, aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden.

“ECLI:NL:RVS:2008:BC7639” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2008:BC4253

Bij brief heeft de burgemeester aan appellant medegedeeld het verzoek om hem vergunning te verlenen, om als beheerder op te mogen treden van een seksinrichting, niet in behandeling te nemen. Aan de burgemeester komt, op grond van de APV noch anderszins, de bevoegdheid toe een vergunning te verlenen als door appellant gevraagd. De onderscheiden brieven van appellant kunnen dan ook niet worden aangemerkt als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, evenmin als de brief van de burgemeester kan worden aangemerkt als besluit. Hiertegen kon dan ook geen bezwaar worden gemaakt ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb. De burgemeester heeft het bezwaar van appellant tegen het buiten behandeling laten van de verzoeken dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot dezelfde conclusie gekomen.

“ECLI:NL:RVS:2008:BC4253” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2007:BB6318

Het enkele feit dat, ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift, geen schriftelijke machtiging aan het college is overgelegd betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat iemand niet als gemachtigde kan worden aangemerkt. Een bestuursorgaan is niet verplicht een machtiging te verlangen.
Het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via de gemachtigde loopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, sprake is van een bekendmaking op de voorgeschreven wijze.
Volgens vaste jurisprudentie dient, ingeval van niet aangetekende verzending van besluiten of andere rechtens van belang zijnde documenten, het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. Indien het bestuursorgaan de verzending van het desbetreffende stuk aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van de geadresseerde om de ontvangst ervan op niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen.

“ECLI:NL:RVS:2007:BB6318” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2007:BA7097

Bij besluiten heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aanvragen van appellanten om een tegemoetkoming in schade tengevolge van extreem zware regenval geheel dan wel gedeeltelijk afgewezen. Bij de vraag of de redelijke termijn is overschreden, neemt de Afdeling allereerst in aanmerking dat sedert de ontvangst van de bezwaarschriften tegen de besluiten, ten tijde van deze uitspraak van de Afdeling ruim acht jaar is verstreken. Dit grote tijdsverloop is slechts ten dele te verklaren door het gegeven dat de zaak tot tweemaal toe in twee rechterlijke instanties is behandeld. Naar het oordeel van de Afdeling maakte de complexiteit van de zaak het grote tijdsverloop niet onvermijdelijk. Opvallend en door de Minister niet verklaard is voorts het tijdsverloop tussen de uitspraak van de Afdeling en de besluiten van de Minister. Vastgesteld moet worden dat het tijdsverloop niet is veroorzaakt door het procesgedrag van appellanten. Dit samenstel van feiten en omstandigheden leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden.

“ECLI:NL:RVS:2007:BA7097” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2006:AY7175

De Algemene Directie heeft in het onderhavige geval de bevoegdheid tot intrekking gebaseerd op artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Anders dan de Algemene Directie in de beslissing op bezwaar heeft overwogen is geen sprake van feiten of omstandigheden waarvan zij bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening zou zijn vastgesteld. Vast staat immers dat de Algemene Directie doelbewust de subsidie heeft vastgesteld zonder de aan de einddeclaratie ten grondslag liggende stukken te controleren. Pas na de subsidievaststelling heeft de Algemene Directie deze stukken gecontroleerd en daarbij geconstateerd dat de subsidieverplichtingen niet zijn nageleefd. Nu ingevolge het nationale recht (zonder acht te slaan op het Gemeenschapsrecht) geen van de in artikel 4:49, eerste lid, onder a tot en met c genoemde gevallen hier aan de orde is, is intrekking van het besluit tot subsidievaststelling op grond van dat artikel niet mogelijk en kon niet tot terugvordering worden overgegaan. Ook overigens geeft de Awb geen bevoegdheid om in een geval als het onderhavige de subsidie na de subsidievaststelling in te trekken.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoekt het Hof van Justitie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op onder andere de volgende vraag: (1.a.) Kan de lidstaat respectievelijk een bestuursorgaan van die staat een bevoegdheid rechtstreeks – dus zonder grondslag in het nationale recht – aan een verordening ontlenen?

“ECLI:NL:RVS:2006:AY7175” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2006:AY5506

Ingevolge artikel 4:49, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen. Uit de stukken blijkt voorts dat de beoordeling en behandeling van de kwartaalrapportages plaatsvond op administratief niveau en dat in dit verband alleen werd gekeken of het juiste formulier was gebruikt, of de optellingen klopten en of de rapporten in overeenstemming waren met de door de subsidieaanvrager in de aanvraag opgenomen begroting en met mogelijke eerdere kwartaalrapportages. Veel meer dan deze standaardcontrole was niet mogelijk, omdat de onderliggende administratie niet werd meegezonden met de kwartaalrapportages. Nu ook appellante wist althans kon weten dat de onderliggende administratie niet werd meegezonden, kon appellante ervan op de hoogte zijn dat het feit dat in de kwartaalrapportages geen opmerkingen zijn gemaakt omtrent de urenregistratie slechts van beperkte waarde was. Gelet hierop kon op grond van de kwartaalrapportages niet worden vastgesteld of de onderliggende projectadministratie juist en volledig was als bedoeld in de ESF-regeling.

“ECLI:NL:RVS:2006:AY5506” verder lezen

ECLI:NL:CRVB:2004:AO4639

Naar het oordeel van de Raad is voor het antwoord op de vraag of een bezwaarschrift onredelijk laat is ingediend niet zonder meer doorslaggevend wanneer het oorspronkelijke verzoek is ingediend, maar dienen ook de nadien door het bestuursorgaan gedane mededelingen over de wijze van afhandeling in beschouwing te worden genomen. De rechtbank heeft in dit verband terecht aandacht besteed aan de op 28 augustus 2001 aan gedaagde verstrekte telefonische informatie. Die informatie hield in, zo is ter zitting van de Raad komen vast te staan, dat er nog een beslissing op gedaagdes verzoek zou volgen, maar dat het verzoek van gedaagde op een andere unit lag en dat het daar druk was.

“ECLI:NL:CRVB:2004:AO4639” verder lezen

ECLI:NL:CBB:2003:AO1044

Afgifte van verklaringen van geen bezwaar ex artikel 2:179 van het Burgerlijk Wetboek voor de oprichting van de rechtspersonen. Het College stelt vast dat de termijn waarbinnen op het bezwaarschrift beslist had moeten worden, ruimschoots was overschreden. Verweerder is van oordeel dat het onmogelijk was om eerder tot besluitvorming in bezwaar over te gaan en tot een afgewogen oordeel te komen. Dit omdat essentiële informatie van de zijde van het Openbaar Ministerie, ondanks herhaald rappelleren, eerst medio maart 2002 beschikbaar is gekomen. Het College oordeelt: dat verweerder voor een afgewogen besluitvorming afhankelijk was van informatie van het Openbaar Ministerie, welke niet voortvarend is aangeleverd, doet hieraan niet af en dient in redelijkheid voor rekening en risico van verweerder te komen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van appellant is derhalve gegrond.

“ECLI:NL:CBB:2003:AO1044” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2003:AF9494

Appellanten betogen dat de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten op grond van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures voor vergoeding in aanmerking komen nu sprake is van ernstige onzorgvuldigheid van de kant van verweerder. De wet van 24 januari 2002 waarop appellanten zich beroepen is op 12 maart 2002 in werking getreden. De Afdeling stelt vast dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt is genomen voor het inwerkingtreden van deze wet. Reeds hierom kan het standpunt van appellanten dat de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten op grond van genoemde wet voor vergoeding in aanmerking komen niet worden ingewilligd. Voorzover het beroep van appellanten wat dit onderdeel betreft moet worden beschouwd als een verzoek op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht overweegt de Afdeling het volgende. De in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten dienen in beginsel voor rekening van belanghebbenden te blijven en kunnen deze slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. Er bestaat geen grond om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere gevallen.

“ECLI:NL:RVS:2003:AF9494” verder lezen