ECLI:NL:GHARL:2017:7652

De kantonrechter heeft overwogen dat uit het zaakoverzicht niet blijkt welke waarnemingstijd door de verbalisant is gebezigd en kan daardoor niet met zekerheid vaststellen of er sprake was van stilstaan of parkeren. Het hof stelt vast dat sprake is van parkeren. De uitzondering voor het onmiddellijk laten in- of uitstappen van passagiers doet zich hier niet voor. De betrokkene heeft aangegeven dat er geen parkeerplaats was. Hij bracht een vriendin terug naar huis en omdat zijn dochter naar het toilet moest, zijn ze naar het huis van de vriendin gegaan. Na vijftien minuten kwamen ze terug bij de auto. Deze gang van zaken valt niet aan te merken als het onmiddellijk laten in- of uitstappen van passagiers. Derhalve is niet van belang wat de waarnemingstijd van de verbalisant is. Bovendien is onder de tijd die nodig is voor (en gebruikt wordt tot) het onmiddellijk uitstappen van een passagier, de tijd die de passagier ná het uitstappen nodig heeft om zijn bestemming te bereiken niet begrepen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 1997, nr. 621-96-V, VR 1997, 112).

“ECLI:NL:GHARL:2017:7652” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1843

De gemachtigde voert aan dat de verbalisant niet bevoegd was om de sanctie op te leggen en verwijst naar het proces-verbaal van beëdiging. Uit dit proces-verbaal van beëdiging blijkt niet tot welke organisatie de verbalisant behoort. In het proces-verbaal is verder aangegeven dat de adjunct-directeur de verbalisant heeft beëdigd namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie maar op basis waarvan daartoe bevoegd was, blijkt niet. Naar het oordeel van het hof bieden de stellingen van de gemachtigde wel grond voor twijfel aan de bevoegdheid van de verbalisant. De advocaat-generaal had deze twijfel kunnen wegnemen door nadere informatie in het geding te brengen, hetzij een mandaatsbesluit, hetzij informatie te verstrekken waaruit blijkt dat de adjunct-directeur (destijds) werkzaam was bij de Politie. Dat is echter niet gebeurd. Gelet op de fase van de procedure ziet het hof geen grond om de advocaat-generaal alsnog die gelegenheid te bieden.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1843” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1838

De onschuldspresumptie zoals neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, verzet zich niet tegen het in WAHV-zaken gehanteerde uitgangspunt dat de ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals weergegeven in het zaakoverzicht, in beginsel een voldoende grondslag kan bieden voor de vaststelling dat de gedraging is verricht maar dat dit anders is indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten of omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van die verklaring. Dat oordeel van de kantonrechter is door de gemachtigde niet betwist. Ook dit bezwaar brengt niet mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1838” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1829

Betrokkene heeft een half jaar op zijn gehandicaptenparkeerkaart moeten wachten, omdat de gemeente de aanvraag eerder ten onrechte niet in behandeling had genomen. Betrokkene heeft geparkeerd zonder een geldige parkeerkaart achter de voorruit. Omdat de betrokkene voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in aanmerking kwam voor een gehandicaptenparkeerkaart en daarover had kunnen beschikken als zijn aanvraag daartoe met de vereiste voortvarendheid was behandeld, is de advocaat-generaal van mening dat de sanctie gematigd dient te worden.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1829” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1777

Het hof past voortaan bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting het beoordelingskader toe dat wordt toegepast in de bestuursrechtelijke rechtspraak waaraan een bestraffende sanctie ten grondslag ligt: er is sprake van schending van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het EVRM wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Bij sancties onder de € 1000,-, wordt de sanctie niet gematigd, maar volstaan met de vaststelling dat artikel 6 van het EVRM is geschonden.
De betrokkene wilde in persoon worden gehoord door de officier van justitie. Gelet op de wetsgeschiedenis is telefonisch horen in beginsel geen volwaardig alternatief voor een hoorzitting. Aan de omstandigheid dat de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord, kan in dit geval niet de betekenis toekomen dat de officier van justitie op de voet van 7:17, aanhef en onder d, AWB ervan heeft kunnen afzien de betrokkene (in persoon) te horen.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1777” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1759

De door de betrokkene verzochte vergoeding voor kosten van professionele juridische bijstand is door de kantonrechter afgewezen. In dit verband stelt het hof vast dat de beroepschriften tegen de inleidende beschikking en de beslissing van de officier van justitie zijn ondertekend door de betrokkene zelf. In de beroepschriften is ook niet aangegeven dat beroep wordt ingesteld namens de betrokkene. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter dat de betrokkene in persoon is verschenen. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat geen sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat de betrokkene directeur is van [naam] B.V. en dat voor de beroepschriften gebruik is gemaakt van het briefpapier van die B.V., maakt dit niet anders.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1759” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1751

Op voormelde datum, tijd en plaats is geconstateerd dat met een motorvoertuig de maximumsnelheid is overschreden. Uit de foto die van deze constatering is gemaakt, blijkt dat het een voertuig betreft waar een fietsendrager op is bevestigd. Op de fietsendrager zit een kentekenplaat met daarop een ander kenteken. Duidelijk is dat het voertuig op de foto niet van hetzelfde merk en type is als het voertuig van de betrokkene. Doorgaans zal de sanctie kunnen worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken op de fietsendrager in het kentekenregister is ingeschreven, nu dat kenteken overeen dient te komen met het kenteken van het voertuig. In de onderhavige zaak is echter gebleken dat het kenteken van het voertuig waarmee de gedraging is verricht niet overeenkomt met het kenteken op de fietsendrager. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging niet met het voertuig van de betrokkene is verricht, zodat de sanctie onterecht aan hem is opgelegd.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1751” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1569

De betrokkene kan niet als bestemmingsverkeer worden aangemerkt. Weliswaar was de betrokkene met drie kinderen op weg naar het, aan de overzijde van de brug gelegen, voetbalveld, maar dat voetbalveld was niet slechts via deze weg te bereiken. De omstandigheid dat de betrokkene ter plaatse niet bekend was en niet beschikte over navigatieapparatuur vormt niet een reden om de sanctie achterwege te laten of te matigen. De betrokkene had zich, voordat hij vertrok, kunnen oriënteren op de toegangswegen tot dat voetbalveld, dan wel ter plaatse de weg naar het voetbalveld kunnen vragen aan passanten of aan de verbalisanten die ter plaatse waren. Dat heeft hij echter niet gedaan en komt de onbekendheid met de situatie ter plaatse voor rekening van de betrokkene. De aanduiding dat bedrijven bereikbaar waren brengt niet mee dat de brug de enige toegangsweg tot het voetbalveld de Straatweg was. Immers, een voetbalveld kan niet worden aangemerkt als een bedrijf.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1569” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1519

De CVOM heeft een brief aan de betrokkene gezonden, waarin is verzocht om de gronden van het beroepschrift toe te zenden. De betrokkene heeft de gronden aangevuld. Uit het verweerschrift van de advocaat-generaal blijkt dat de CVOM dit schrijven heeft ontvangen, doch dat dit in een verkeerd dossier is gevoegd. Nu is gebleken dat de betrokkene zijn beroepschrift heeft aangevuld met gronden voor zijn beroep, is er geen sprake van een verzuim dat kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep van de betrokkene. Om die reden zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en de zaak terugwijzen.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1519” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1521

In het beroepschrift bij de kantonrechter heeft de gemachtigde geen gronden aangevoerd tegen de oplegging van de sanctie. Ook is de gemachtigde niet ter zitting van de kantonrechter verschenen om daartegen een inhoudelijk verweer te voeren. Evenmin heeft de gemachtigde in hoger beroep enige grond aangevoerd tegen de oplegging van de administratieve sanctie. De gemachtigde heeft, anders dan de in het administratief beroepschrift gestelde blote ontkenning van de gedraging, in geen enkel stadium van de beroepsprocedures op enigerlei wijze onderbouwd verweer heeft gevoerd tegen de opgelegde sanctie. Daarnaast is hij niet bij de kantonrechter verschenen noch heeft hij in hoger beroep verzocht te worden gehoord, terwijl hij erover klaagt dat de officier van justitie hem ten onrechte niet heeft gehoord. Gelet daarop kan de wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs geacht worden het belang van de betrokkene te dienen.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1521” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1517

De snelheidsbeperking werd aangegeven door een bord A1. De gedraging betreft volgens betrokkene dus niet een overtreding van artikel 20 of 22 van het RVV 1990, maar een overtreding van artikel 62 van het RVV 1990, inhoudende de verplichting gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Binnen de bebouwde kom bedraagt de maximumsnelheid standaard 50 km/h, tenzij anders aangegeven. Op de weg werd afgeweken van deze maximumsnelheid door een bord A1 met daarop “70”. Vervolgens werd de maximumsnelheid afgebouwd naar 50 km/h, door een bord A1 met daarop “50”. De sanctie is terecht opgelegd voor overtreding van artikel 20, aanhef en onder a, van het RVV 1990. Dat er in dit geval ook een sanctie opgelegd had kunnen worden voor overtreding van artikel 62 van het RVV 1990 in samenhang met bord A1, maakt dit niet anders. Het hof heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat het sanctiebedrag voor beide gedragingen hetzelfde is.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1517” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1509

Is de Koninklijke Marechaussee belast met de uitoefening van een politietaak? Uit de memorie van toelichting op de Politiewet 2012 volgt dat is beoogd om de Koninklijke marechaussee wat betreft haar opsporingsbevoegdheid in dezelfde positie te brengen als de politie. Het tweede deel van het vierde lid van artikel 4 van de Politiewet 2012 houdt dan ook niet meer in dan een instructienorm. De rechtmatigheid van het optreden van een militair van de Koninklijke marechaussee kan niet met een beroep op deze bepaling worden aangevochten. Gelet hierop staat vast dat de verbalisant bevoegd was tot de opsporing van strafbare feiten.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1509” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1494

Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de WAHV kan beroep worden ingesteld ter zake dat de officier van justitie had moeten beslissen dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat hij, gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten vaststellen. Hiermee heeft de wetgever in de WAHV een regeling opgenomen die een vergelijkbare werking heeft als het evenredigheidsbeginsel. In zoverre dient de rechter in WAHV-zaken te toetsen aan de bijzondere regeling die is neergelegd in de WAHV. Dit betekent dat de kantonrechter in voorkomende gevallen slechts tot vernietiging mag overgaan, indien de officier van justitie in verband met de omstandigheden van het geval, dan wel die waarin de betrokkene verkeert, niet heeft kunnen oordelen tot handhaving van de administratieve sanctie.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1494” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1481

De betrokkene heeft geen bestaansmiddelen en woont bij zijn ouders. Hij is dus niet in staat om een eigen woning met een goede brievenbus te verwerven. Gebrekkige postbezorging op het woonadres van de betrokkene – poststukken worden samen met stukken voor andere bewoners in een gemeenschappelijk trapportaal gedeponeerd – zijn omstandigheden die een beroep op verschoonbare termijnoverschrijding niet rechtvaardigen. In dat geval moet gesteld en gebleken zijn dat de betrokkene inspanningen heeft verricht om een oplossing voor de problemen met de postbezorging te bewerkstelligen. Eenieder wordt geacht op het adres waarop hij in het basisregister is ingeschreven bereikbaar te zijn voor brieven van instanties, waaronder beschikkingen van het CJIB. Dat de betrokkene heeft nagelaten adequate maatregelen te nemen om een behoorlijke postbezorging te verzekeren, komt voor zijn rekening.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1481” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1497

De administratiekosten zijn van rechtswege verschuldigd en is geen sprake van het delegeren van een bevoegdheid tot het opleggen hiervan. Ingevolge artikel 22, tweede lid, van de WAHV worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften gegeven met betrekking tot de inning van de administratieve sancties. Ingevolge artikel 11a van het BAHV is degene aan wie een administratieve sanctie wordt opgelegd administratiekosten verschuldigd.
Naar het oordeel van het hof kan de wijze waarop de gemachtigde in dit geval heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs geacht worden het belang van de betrokkene te dienen. Niet valt in te zien dat de gemachtigde het pas in hoger beroep aangevoerde argument, dat de betrokkene regelmatig op zijn snelheidsmeter heeft gekeken en op de teller niet harder dan 110 km/h reed, dat op de teller een afwijking zit en dat de betrokkene daarom niet harder kan hebben gereden dan 105 km/h, niet reeds in zijn beroepschrift bij de officier van justitie had kunnen aanvoeren.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1497” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1486

Dat de kantonrechter een toe te passen bepaling buiten toepassing heeft gelaten door niet op zijn verzoek om proceskostenvergoeding in te gaan, komt er in de kern op neer dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen door geen proceskostenvergoeding toe te kennen. Het is vaste jurisprudentie van dit hof dat de omstandigheid dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen, geen grond kan vormen voor doorbreking van het appelverbod. De omstandigheid dat de beslissing van de kantonrechter verband zou houden met het buiten toepassing laten van een bepaling vormt -en in zoverre komt het hof terug op eerder arrest van het hof- geen grond om de wet terzijde te schuiven en de zaak ondanks het in de wet opgenomen verbod te behandelen.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1486” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1475

Een trottoir kan – ongeacht de openingstijden van het bedrijf – niet tevens een parkeerplaats zijn. Het hof leidt uit de verklaring van de verbalisant af dat hij de sanctie aan de betrokkene heeft opgelegd, omdat het bedrijf ten tijde van de gedraging wegens een verbouwing gesloten was. Het hof begrijpt dat er geen sanctie aan de betrokkene was opgelegd indien het bedrijf op voornoemde datum en tijd geopend was. Naar het oordeel van het hof is een dergelijk gedoogbeleid niet voldoende kenbaar gemaakt. Derhalve is in dit geval voor de betrokkene onvoldoende duidelijk geworden dat parkeren op voornoemde plaats slechts gedoogd werd tijdens de openingstijden van het bedrijf. Gelet op deze omstandigheden waaronder de gedraging is verricht, is het hof van oordeel dat oplegging van een sanctie achterwege dient te blijven.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1475” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1476

Dat op de foto het NL-logo (het EU-symbool met daarin het NL-teken geïntegreerd in geel reflecterend folie) niet is te zien, laat zich verklaren doordat, zoals uit (met name artikel 3 van) de Regeling kentekens en kentekenplaten en de daarbij behorende bijlage volgt, een kentekenplaat zo is gemaakt dat de letters en de cijfers van het kentekennummer zelf niet reflecteren – en op de foto in het zwart worden afgebeeld – en dat de rest van de kentekenplaat wel oplicht – en op de foto als wit wordt weergegeven. Dit verklaart dus ook waarom de niet reflecterende schroeven waarmee het kenteken is bevestigd in het zwart zijn weergeven. Derhalve sluit het feit dat het genoemde blauwe kenmerk niet zichtbaar is op de foto niet uit dat de gefotografeerde kentekenplaat wel een dergelijk kenmerk bevat.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1476” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1488

De advocaat-generaal heeft aan het verweerschrift een tweetal foto’s gehecht. Op de eerste foto is het voertuig aan de achterzijde gefotografeerd. Het voertuig rijdt van de camera weg. Uit de databalk blijkt dat deze foto is gemaakt om 14.57.59 uur. Op de tweede foto is het voertuig te zien op dezelfde locatie, maar op de andere weghelft. Het voertuig is aan de voorzijde gefotografeerd. Het voertuig rijdt op de camera af. Uit de databalk blijkt dat deze foto is gemaakt om 14.57.12 uur. Bij beide foto’s is hetzelfde fotofilmnummer vermeld, maar een andere filenaam. Er is sprake van twee afzonderlijke gedragingen. Dat er minder dan één minuut tussen de gedragingen zit, maakt de gedragingen niet minder sanctiewaardig. De betrokkene heeft tussen de twee snelheidsmetingen zijn voertuig gekeerd en voldoende gelegenheid gehad om zijn snelheid aan te passen aan de geldende maximumsnelheid.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1488” verder lezen

ECLI:NL:GHARL:2017:1490

Gelet op hetgeen de betrokkene gedurende de gehele procedure consistent en vasthoudend heeft aangevoerd, is bij het hof gerede twijfel ontstaan of de gedraging is verricht. Zoals uit het zaakoverzicht blijkt, heeft de betrokkene reeds bij de staandehouding specifieke omstandigheden aangevoerd (de aanwezigheid en werking van het alcoholslot) die vragen oproepen over de waarneming van de verbalisant. Een nadere toelichting van de verbalisant op dit punt was dan ook op zijn plaats geweest. Nu deze niet voorhanden is, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de betrokkene een mobiele telefoon in zijn hand had. Het hof acht het in deze fase van de procedure, mede gelet op het tijdsverloop en de omstandigheid dat het openbaar ministerie in deze zaak het hoger beroep heeft ingesteld, niet aangewezen om de advocaat-generaal alsnog te verzoeken om een aanvullend proces-verbaal van de verbalisant in het geding te brengen.

“ECLI:NL:GHARL:2017:1490” verder lezen