ECLI:NL:HR:2014:446

Uit de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [A] om (onder meer) in de onderhavige zaak namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van het onderhavige beroep een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van het beroep nog bestond en op die grond van [A] een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. Het beroep is mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [A] (vgl. HR 11 oktober 2013, nr. 13/00924, ECLI:NL:HR:2013:840, BNB 2013/244).

“ECLI:NL:HR:2014:446” verder lezen

ECLI:NL:GHAMS:2013:4500

Noch de tekst van de (bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht, noch de toelichting ervan bieden een aanknopingspunt voor een differentiatie van de toe te passen wegingsfactor binnen één fase in de procedure. Ook de systematiek van het Besluit verzet zich hiertegen. Onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, verwerpt het Hof de stelling van de heffingsambtenaar dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een kostenvergoeding voor het taxatierapport omdat de gemachtigde op basis van het ‘no-cure-no-paybeginsel’ werkt. Het standpunt van de heffingsambtenaar dat bij de toekenning van punten onder het Besluit per proceshandeling bekeken dient te worden welke partij in welk stadium in het gelijk wordt gesteld, is niet gebaseerd op enige rechtsregel.

“ECLI:NL:GHAMS:2013:4500” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:840

Beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verstrekken van door Rechtbank verlangde machtiging waaruit vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt. Machtiging hoeft niet per instantie te worden verleend en hoeft niet te dateren van na de bestreden uitspraak.

“ECLI:NL:HR:2013:840” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:840

Uit de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [B] en [C] om (onder meer) in de onderhavige zaken namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van de onderhavige beroepen een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigden zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van de beroepen nog bestond, en op die grond van hen een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. De beroepen zijn mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [B] en [C].

“ECLI:NL:HR:2013:840” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:BZ6822

De enkele omstandigheid dat belanghebbende met de taxateur een overeenkomst op basis van “no cure no pay” heeft gesloten op grond waarvan de vergoeding die zij aan de taxateur moet betalen wordt gesteld op het bedrag dat ter zake wordt toegekend als kostenvergoeding, staat aan een vergoeding van de kosten van taxatie niet in de weg (ECLI:NL:HR:2012:BX0904).
Het betoog dat een eenmaal toegepaste wegingsfactor, gelet op de systematiek van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), voor elke volgende fase van de procedure blijft gelden, faalt. Een dergelijke regel ligt niet besloten in het Bpb of in de systematiek ervan. ’s Hofs oordeel over het gewicht van de zaak in de beroepsfase is, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar. ’s Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb en het Bpb is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten; een andersluidende uitleg van deze bepalingen en het Bpb zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever om dit verband beoogde eenvoud (ECLI:NL:HR:2012:BX0904). Hetzelfde geldt voor het bezwaar tegen in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen. Wel kan de omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak.

“ECLI:NL:HR:2013:BZ6822” verder lezen

ECLI:NL:HR:2012:BX0904

De werkzaamheden van een taxateur dienen te worden aangemerkt als van bijzondere aard. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is. Niet de hoogte van het in rekening gebrachte, of in de markt gangbare, uurtarief maatgevend, maar de aard van de werkzaamheden wordt bepaald door de aard van het te taxeren object. Het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van de taxateur niet van bijzondere aard zijn, van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat, kan echter niet tot cassatie leiden. In het oordeel van het Hof dat aan belanghebbende een kostenvergoeding ter zake van het taxatierapport kan worden toegekend tegen een uurtarief van € 50 inclusief omzetbelasting, ligt besloten dat de werkzaamheden voor de taxatie van een woning, niet in die mate van bijzondere aard zijn dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een ander uurtarief dan € 50 inclusief btw. De vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor een taxatieverslag blijkt in de praktijk in procedures over de toepassing van de Wet WOZ regelmatig aanleiding te geven tot geschillen. In aanmerking genomen dat de beslissing over het te hanteren uurtarief vooral van feitelijke aard is, is het wenselijk dat de gerechten in feitelijke instantie beleid ontwikkelen voor een uniforme toepassing van bij de vaststelling van een vergoeding te hanteren uurtarieven. Deze zullen zich moeten richten naar de aard van de te taxeren objecten.

“ECLI:NL:HR:2012:BX0904” verder lezen

ECLI:NL:HR:2011:BQ1222

Op grond van het bepaalde in artikel 1, letter b, en artikel 2, lid 1, letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in verbinding met artikel 8:36, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht moet een veroordeling in de kosten van een deskundigenverslag worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Krachtens artikel 3, lid 1, van laatstgenoemde wet is in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: het Besluit) een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur vastgesteld. In artikel 15 van het Besluit is bepaald dat de bedragen, genoemd in het Besluit, worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. Artikel 15 brengt mee dat de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor de werkzaamheden van een deskundige behoren te worden verhoogd met omzetbelasting naar de op grond van de bepalingen van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepasselijke tarieven. Gelet op de strekking van deze bepaling geldt dat echter alleen indien de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt, dus niet indien hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen (zie HR 9 juli 1999, nr. 34442, LJN AA2804, BNB 1999/377).

“ECLI:NL:HR:2011:BQ1222” verder lezen

ECLI:NL:HR:2000:AA8419

De aard van de bezwaartermijn, welke meebrengt dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het desbetreffende bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen. Zulks sluit evenwel niet uit dat zich de situatie kan voordoen dat een belanghebbende aan een uitlating van dat bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn bezwaarschrift nog na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Daartoe is evenwel vereist dat de belanghebbende van die uitlating kennisneemt binnen de wettelijke bezwaartermijn. Vertrouwen ontleend aan een uitlating van het bestuursorgaan, waarvan de belanghebbende pas na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kennisneemt, kan immers niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt.

“ECLI:NL:HR:2000:AA8419” verder lezen