ECLI:NL:HR:2014:699

In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Dit laat onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. In een dergelijk geval mag niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het onbetaald blijven van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit kan worden voorkomen door aan te nemen dat de betrokkene met het achterwege laten van een betaling van griffierecht niet in verzuim is.

“ECLI:NL:HR:2014:699” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:BX4034

Artikel 3.92, lid 1, aanhef en letter b, Wet IB 2001. Lening door partner in adviesorganisatie verstrekt aan de werkmaatschappij van een houdstervennootschap waarin de partner door tussenkomst van persoonlijke vennootschappen één van de circa 250 aandeelhouders is. Terbeschikkingstellingsregeling niet van toepassing. Geen fraus legis.
Bij de toepassing van het tarief bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, is van belang dat de waarde per punt is verhoogd bij besluit van 20 december 2012, Stb. 2012, 683. Deze wijziging is volgens het besluit met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden. Laatstgenoemd besluit bevat ten aanzien van dit tarief geen voorschriften van overgangsrecht. In overeenstemming met de inmiddels door de andere hoogste bestuursrechters gevolgde lijn dient te gelden dat indien de hogere rechter na vernietiging van de uitspraak van een lagere rechter een proceskostenvergoeding vaststelt die betrekking heeft op een eerdere fase van de procedure, het verhoogde tarief moet worden toegepast, ook als die lagere rechter in die eerdere fase vóór 1 januari 2013 uitspraak heeft gedaan.

“ECLI:NL:HR:2013:BX4034” verder lezen

ECLI:NL:HR:1996:AA1755

Belanghebbende stelt dat door de bespreking op 1 juni 1994 met de Ontvanger en de Rijksadvocaat en de bevestiging van de toen gemaakte afspraken door de Ontvanger bij brief van 2 juni 1994 bij haar het vertrouwen is gewekt dat het vervolgens door haar ingediende bezwaarschrift niet wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Aan mededelingen of toezeggingen door of namens de belastingdienst tijdens de bedoelde bespreking die plaats had na het verstrijken van de termijn voor het instellen van bezwaar kan belanghebbende echter, zoals in het oordeel van het Hof ligt besloten, niet het in rechte te beschermen vertrouwen hebben ontleend dat die reeds verstreken bezwaartermijn opnieuw zou gaan lopen.

“ECLI:NL:HR:1996:AA1755” verder lezen