ECLI:NL:HR:2014:699

In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Dit laat onverlet dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. In een dergelijk geval mag niet worden aanvaard dat een (hoger) beroep wegens het onbetaald blijven van griffierecht niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit kan worden voorkomen door aan te nemen dat de betrokkene met het achterwege laten van een betaling van griffierecht niet in verzuim is.

“ECLI:NL:HR:2014:699” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2014:967

Als uitgangspunt geldt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in dit geval in beroep weliswaar een uitdraai uit het Eldoc-systeem overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat op 9 januari 2012 een brief aan de gemachtigde met het besluit op bezwaar is aangemaakt maar, anders dan in de door hem in het verweerschrift aangehaalde zaak (ECLI:NL:RVS:2012:BV2442), geen printafdrukken overgelegd uit een postregistratiesysteem of een verzendadministratie, noch enig ander stuk waarmee hij de verzending van de brief van 9 januari 2012 aannemelijk heeft gemaakt.

“ECLI:NL:RVS:2014:967” verder lezen

ECLI:NL:HR:2014:446

Uit de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [A] om (onder meer) in de onderhavige zaak namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van het onderhavige beroep een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [A] zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van het beroep nog bestond en op die grond van [A] een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. Het beroep is mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [A] (vgl. HR 11 oktober 2013, nr. 13/00924, ECLI:NL:HR:2013:840, BNB 2013/244).

“ECLI:NL:HR:2014:446” verder lezen

ECLI:NL:GHAMS:2013:4500

Noch de tekst van de (bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht, noch de toelichting ervan bieden een aanknopingspunt voor een differentiatie van de toe te passen wegingsfactor binnen één fase in de procedure. Ook de systematiek van het Besluit verzet zich hiertegen. Onder verwijzing naar ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, verwerpt het Hof de stelling van de heffingsambtenaar dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een kostenvergoeding voor het taxatierapport omdat de gemachtigde op basis van het ‘no-cure-no-paybeginsel’ werkt. Het standpunt van de heffingsambtenaar dat bij de toekenning van punten onder het Besluit per proceshandeling bekeken dient te worden welke partij in welk stadium in het gelijk wordt gesteld, is niet gebaseerd op enige rechtsregel.

“ECLI:NL:GHAMS:2013:4500” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:969

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb had de beslissing van de officier van justitie niet (alleen) aan de betrokkene, maar (ook) aan de gemachtigde moeten worden verzonden. De omstandigheid dat de beslissing van de officier van justitie niet is verzonden aan de gemachtigde, waardoor de gemachtigde niet op hoogte is geraakt van die beslissing, brengt niet mee dat de officier van justitie niet op het beroep heeft beslist.

“ECLI:NL:HR:2013:969” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:915

Het Hof heeft bij de vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase geen betekenis toegekend aan de door de heffingsambtenaar vastgestelde ‘Beleidsregel toepassing van wegingsfactoren bij vergoeding in de bezwaarfase 2010’. Zoals in het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, is beslist, dient de beoordelende instantie zelfstandig – op grond van een eigen waardering – te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Indien de gewichtscategorie van een zaak in het kader van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase ter discussie staat bij een rechter die over de feiten oordeelt, dient die rechter dan ook zelfstandig te bepalen in welke gewichtscategorie de zaak valt, met toepassing van de regels die op grond van artikel 7:15, lid 4, Awb zijn gesteld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechter is daarbij niet gebonden aan het oordeel van het bestuursorgaan en kan de juistheid van het oordeel van het bestuursorgaan met betrekking tot deze factor volledig toetsen. Hij is daarbij derhalve niet gebonden aan beleidsregels die het bestuursorgaan ter zake heeft vastgesteld, voor zover die leiden tot een lagere vergoeding dan naar het eigen oordeel van de rechter op zijn plaats is.

“ECLI:NL:HR:2013:915” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:840

Beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verstrekken van door Rechtbank verlangde machtiging waaruit vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt. Machtiging hoeft niet per instantie te worden verleend en hoeft niet te dateren van na de bestreden uitspraak.

“ECLI:NL:HR:2013:840” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:840

Uit de overgelegde machtiging blijkt de bevoegdheid van [B] en [C] om (onder meer) in de onderhavige zaken namens belanghebbende beroep in te stellen. De uitspraak van de Rechtbank en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat zich tussen het verlenen van die machtiging en het instellen van de onderhavige beroepen een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:72 BW heeft voorgedaan waardoor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigden zou zijn geëindigd. De Rechtbank kon daarom in redelijkheid geen aanleiding vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid ten tijde van het instellen van de beroepen nog bestond, en op die grond van hen een nieuwe schriftelijke machtiging te verlangen. De beroepen zijn mitsdien ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bewijs ten aanzien van de bevoegdheid van [B] en [C].

“ECLI:NL:HR:2013:840” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:BX4034

Artikel 3.92, lid 1, aanhef en letter b, Wet IB 2001. Lening door partner in adviesorganisatie verstrekt aan de werkmaatschappij van een houdstervennootschap waarin de partner door tussenkomst van persoonlijke vennootschappen één van de circa 250 aandeelhouders is. Terbeschikkingstellingsregeling niet van toepassing. Geen fraus legis.
Bij de toepassing van het tarief bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, is van belang dat de waarde per punt is verhoogd bij besluit van 20 december 2012, Stb. 2012, 683. Deze wijziging is volgens het besluit met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden. Laatstgenoemd besluit bevat ten aanzien van dit tarief geen voorschriften van overgangsrecht. In overeenstemming met de inmiddels door de andere hoogste bestuursrechters gevolgde lijn dient te gelden dat indien de hogere rechter na vernietiging van de uitspraak van een lagere rechter een proceskostenvergoeding vaststelt die betrekking heeft op een eerdere fase van de procedure, het verhoogde tarief moet worden toegepast, ook als die lagere rechter in die eerdere fase vóór 1 januari 2013 uitspraak heeft gedaan.

“ECLI:NL:HR:2013:BX4034” verder lezen

ECLI:NL:HR:2013:BZ6822

De enkele omstandigheid dat belanghebbende met de taxateur een overeenkomst op basis van “no cure no pay” heeft gesloten op grond waarvan de vergoeding die zij aan de taxateur moet betalen wordt gesteld op het bedrag dat ter zake wordt toegekend als kostenvergoeding, staat aan een vergoeding van de kosten van taxatie niet in de weg (ECLI:NL:HR:2012:BX0904).
Het betoog dat een eenmaal toegepaste wegingsfactor, gelet op de systematiek van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), voor elke volgende fase van de procedure blijft gelden, faalt. Een dergelijke regel ligt niet besloten in het Bpb of in de systematiek ervan. ’s Hofs oordeel over het gewicht van de zaak in de beroepsfase is, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar. ’s Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb en het Bpb is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten; een andersluidende uitleg van deze bepalingen en het Bpb zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever om dit verband beoogde eenvoud (ECLI:NL:HR:2012:BX0904). Hetzelfde geldt voor het bezwaar tegen in één geschrift opgenomen WOZ-beschikkingen. Wel kan de omstandigheid dat het bezwaar op meer dan één besluit betrekking heeft een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak.

“ECLI:NL:HR:2013:BZ6822” verder lezen

ECLI:NL:HR:2012:BX0904

De werkzaamheden van een taxateur dienen te worden aangemerkt als van bijzondere aard. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het object van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is. Niet de hoogte van het in rekening gebrachte, of in de markt gangbare, uurtarief maatgevend, maar de aard van de werkzaamheden wordt bepaald door de aard van het te taxeren object. Het oordeel van het Hof dat de werkzaamheden van de taxateur niet van bijzondere aard zijn, van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat, kan echter niet tot cassatie leiden. In het oordeel van het Hof dat aan belanghebbende een kostenvergoeding ter zake van het taxatierapport kan worden toegekend tegen een uurtarief van € 50 inclusief omzetbelasting, ligt besloten dat de werkzaamheden voor de taxatie van een woning, niet in die mate van bijzondere aard zijn dat de vergoeding moet worden gebaseerd op een ander uurtarief dan € 50 inclusief btw. De vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor een taxatieverslag blijkt in de praktijk in procedures over de toepassing van de Wet WOZ regelmatig aanleiding te geven tot geschillen. In aanmerking genomen dat de beslissing over het te hanteren uurtarief vooral van feitelijke aard is, is het wenselijk dat de gerechten in feitelijke instantie beleid ontwikkelen voor een uniforme toepassing van bij de vaststelling van een vergoeding te hanteren uurtarieven. Deze zullen zich moeten richten naar de aard van de te taxeren objecten.

“ECLI:NL:HR:2012:BX0904” verder lezen

ECLI:NL:RBAMS:2012:BV6243

De wetgever hanteert als uitgangspunt dat de kosten van de handhaving van de wettelijke bepalingen waarin enige gedraging met een straf is gesanctioneerd, ten laste van de Staat komen. Op dit uitgangspunt kan voor de administratiekosten als bedoeld in de WAHV (Wet administratief rechtelijke handhaving verkeersvoorschriften) geen uitzondering gemaakt worden.

“ECLI:NL:RBAMS:2012:BV6243” verder lezen

ECLI:NL:RVS:2012:BV2442

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De Belastingdienst heeft informatie verstrekt over de wijze waarop hij de besluiten omtrent aanvragen van zorgtoeslagen geautomatiseerd vaststelt, uitprint en per batch aan TNT Post ter verzending aanbiedt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 35 van de Awir blijkt dat de achtergrond van de afwijking die in deze bepaling staat, de geautomatiseerde werkwijze bij de Belastingdienst is die erop neerkomt dat besluiten van de Belastingdienst veelal op een latere dag zijn gedateerd dan die waarop de feitelijke bekendmaking plaatsvindt.

“ECLI:NL:RVS:2012:BV2442” verder lezen

ECLI:NL:HR:2011:BQ1222

Op grond van het bepaalde in artikel 1, letter b, en artikel 2, lid 1, letter b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in verbinding met artikel 8:36, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht moet een veroordeling in de kosten van een deskundigenverslag worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Krachtens artikel 3, lid 1, van laatstgenoemde wet is in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (hierna: het Besluit) een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur vastgesteld. In artikel 15 van het Besluit is bepaald dat de bedragen, genoemd in het Besluit, worden verhoogd met de omzetbelasting die daarover is verschuldigd. Artikel 15 brengt mee dat de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor de werkzaamheden van een deskundige behoren te worden verhoogd met omzetbelasting naar de op grond van de bepalingen van de Wet op de omzetbelasting 1968 toepasselijke tarieven. Gelet op de strekking van deze bepaling geldt dat echter alleen indien de aan een belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting op hem drukt, dus niet indien hij die belasting als voorbelasting in aftrek kan brengen (zie HR 9 juli 1999, nr. 34442, LJN AA2804, BNB 1999/377).

“ECLI:NL:HR:2011:BQ1222” verder lezen

ECLI:NL:HR:2010:BJ8465

Na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, moet het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan. Uit de uitspraken in feitelijke instanties en de stukken van het geding blijkt niet dat de in geding zijnde aanslagen zijn opgelegd in strijd met het EG-Verdrag, mede heeft gegrond op de stelling dat de Inspecteur de vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, AWR verder heeft overschreden dan noodzakelijk was. Tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, zijn meer dan twee jaren verstreken. Voor de bepaling van de, door de nationale rechter te bewaken, redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM, dient de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie echter niet te worden meegerekend.

“ECLI:NL:HR:2010:BJ8465” verder lezen

ECLI:NL:HR:2010:BJ9092

Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. Sinds het beroep in cassatie zijn, tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak eindarrest wijst, meer dan twee jaren verstreken. Voor de bepaling van de, door de nationale rechter te bewaken, redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 EVRM, dient de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie echter niet te worden meegerekend. Na aftrek van die tijd en rekening houdend met de complexiteit van deze zaak, mede in procedureel opzicht, doet zich per saldo geen overschrijding van de redelijke termijn voor.

“ECLI:NL:HR:2010:BJ9092” verder lezen

ECLI:NL:HR:2010:BJ9120

In het arrest van het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel verzet zich ertegen dat de inspecteur met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, ook na aanvaardbare tijdsverloop gebruik maakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 16, lid 4, van de AWR om een navorderingsaanslag op te leggen op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn van artikel 16, lid 3, AWR is verstreken. De rechtvaardiging die het Hof van Justitie aanwezig heeft geacht voor de aan toepassing van artikel 16, lid 4, AWR verbonden beperking van het vrije verkeer, is gelegen in het waarborgen van de doeltreffendheid van de fiscale controles en het bestrijden van belastingfraude. Die rechtvaardiging is er niet als ten aanzien van (inkomsten uit) buitenlandse tegoeden de navorderingstermijn die voor (inkomsten uit) binnenlandse tegoeden zou gelden verder wordt overschreden dan uit het in 2.1.2 overwogene voortvloeit.

“ECLI:NL:HR:2010:BJ9120” verder lezen

ECLI:NL:HR:2006:AZ4416

In beginsel is het aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat de aanmaning op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd of aangeboden, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanmaning op dat adres. Dit brengt mee dat de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Het staat de feitenrechter vrij om zodanige twijfel gerechtvaardigd te achten op grond van naar zijn oordeel geloofwaardige ontkenning door de belastingplichtige dat de aanmaning op zijn adres is ontvangen of aangeboden. Slaagt de belastingplichtige erin eerdergenoemd vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van de aanmaning slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de inspecteur daarvan nader bewijs levert.

“ECLI:NL:HR:2006:AZ4416” verder lezen

ECLI:NL:HR:2005:AO9273

In punt 7 wordt gesteld dat het in verband daarmee noodzakelijk is dat de bij de uitvoering van een plan gemaakte kosten (en de daarbij aan de gemeente in rekening gebrachte omzetbelasting) worden toegerekend aan de bouwterreinen enerzijds en de gemeenschapsvoorzieningen anderzijds. Niet wordt in zijn algemeenheid vereist dat deze toerekening gedetailleerd wordt gemaakt. Een dergelijke detaillering is, naar het middel terecht stelt, slechts van belang, indien het totaal van de opbrengsten van de bouwterreinen niet méér is dan de totale kosten van het bestemmingsplan en de gemeente ter zake van de aanleg van gemeenschapsvoorzieningen in rekening gebrachte omzetbelasting door gedeeltelijke toerekening aan de bouwterreinen in aftrek wenst te brengen. Opmerking verdient dat artikel 6, lid 1, EVRM het in die bepaling neergelegde recht toekent aan een ieder, derhalve ook aan publiekrechtelijke lichamen.

“ECLI:NL:HR:2005:AO9273” verder lezen