ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009

Uit deze jurisprudentie van het EHRM leidt de Raad af dat er ruimte bestaat voor een vergoedingensysteem op nationaal niveau, waarbij niet zonder meer aangesloten behoeft te worden bij de door het EHRM gehanteerde berekeningswijze en de bedragen die het EHRM in gevallen van overschrijding van de redelijke termijn toekent. Heeft de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de verschillende instanties in beginsel binnen de volgende termijnen zouden moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Is in een of meer instanties sprake van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, dan is er een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel.

Uitspraak

05/1789 WAO
08/4026 WAO-S

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: betrokkene)
met als partijen:
betrokkene
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat)

Datum uitspraak: 26 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2003, 03/3543, in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Bij uitspraak van 11 juli 2008, 05/1789 WAO (LJN BD7033, ECLI:NL:CRVB:2008:BD7033) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder nummer 08/4026 WAO wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft mr. E.J. Daalder, advocaat te ’s-Gravenhage, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, daarop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2008. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Roy van Zuydewijn en de Staat door mr. Daalder.

II. OVERWEGINGEN

1. In zijn uitspraak van 11 juli 2008 heeft de Raad onder 6.3.1 vastgesteld dat in het geding tussen betrokkene en het Uwv vanaf de ontvangst door het Uwv op 18 oktober 2002 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van die uitspraak ruim vijf en een half jaar zijn verstreken. Voorts heeft de Raad vastgesteld dat de behandeling van het hoger beroep vanaf de ontvangst door de Raad op 21 maart 2005 van het hoger-beroepschrift van betrokkene tot de datum van de uitspraak van 11 juli 2008 drie jaar en iets minder dan vier maanden heeft geduurd. Hieraan heeft de Raad het vermoeden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad. De Raad heeft vervolgens, met – voor zover nodig – verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbij, met – eveneens – verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb, de Staat als partij in die procedure is aangemerkt.

2.1. Namens de Staat is – kort weergegeven – uiteengezet dat wordt onderschreven dat, nu de behandeling van het hoger beroep bij de Raad bijna drie jaar en vier maanden heeft geduurd en de totale duur van de procedure vijf en een half jaar is geweest, de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden en dat betrokkene in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade. Daarbij is aangegeven dat een vergoeding van € 2.500,– redelijk kan worden geacht.

2.2. De gemachtigde van betrokkene heeft betoogd dat betrokkene met een bedrag van € 2.500,– onvoldoende tegemoet wordt gekomen. Daartoe is verwezen naar de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM). Op grond daarvan geldt volgens de gemachtigde als hoofdregel dat een compensatie op haar plaats is van € 1.000,– tot € 1.500,– per jaar dat de totale procedure in beslag neemt, welk bedrag wordt verhoogd met € 2.000,– indien aan de zijde van de belanghebbende sprake is van een zwaarwegend belang. De gemachtigde heeft daarbij in het bijzonder verwezen naar de overwegingen van het EHRM in het arrest van 11 november 2004, inzake Pizzati tegen Italië, zaak nr. 62361/00 (gepubliceerd in JB 2005/1). Voor een afwijking van die bedragen is naar de mening van de gemachtigde in het geval van betrokkene geen aanleiding.

3.1. De Raad stelt bij de beoordeling van het voorliggende verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voorop dat het volgens de jurisprudentie van het EHRM (onder andere het arrest van 29 maart 2006, inzake Scordino tegen Italië (no. 1), zaak nr. 36813/97 (gepubliceerd in EHRC 2006/61 en AB 2006, 294)) in de eerste plaats aan de nationale autoriteiten is om passende maatregelen te treffen om de in artikel 6 van het EVRM neergelegde rechten te verzekeren. Indien de wetgever of de gerechtelijke instanties binnen een lidstaat invulling geven aan een compensatie op nationaal niveau, komt deze instanties een ruime beoordelingsvrijheid toe omdat aldus de hoogte van de schadevergoeding kan worden afgestemd op andere in het rechtssysteem voorkomende schadevergoedingen en in overeenstemming kan worden gebracht met wat binnen het rechtssysteem als juist wordt ervaren. Hierbij kan worden afgeweken van de bedragen die het EHRM zelf in vergelijkbare gevallen toekent. Het EHRM beperkt zich in die gevallen tot de beoordeling of de toegekende vergoeding passend en voldoende is. Daarbij is mede van belang dat indien een nationale regeling beschikbaar is, rechtzoekenden zich niet gedwongen zien zich tot het EHRM te wenden, waarmee hun een rechtsgang wordt bespaard.

3.2. Uit deze jurisprudentie van het EHRM leidt de Raad af dat er ruimte bestaat voor een vergoedingensysteem op nationaal niveau, waarbij niet zonder meer aangesloten behoeft te worden bij de door het EHRM gehanteerde berekeningswijze en de bedragen die het EHRM in gevallen van overschrijding van de redelijke termijn toekent. Anders dan de gemachtigde van betrokkene is de Raad van oordeel dat deze ruimte niet slechts bestaat in de situatie waarin op nationaal niveau tevens is voorzien in de mogelijkheid voor de betrokkene om de procedure te versnellen. Hij verwijst in dit verband naar de overwegingen 187 tot en met 189 van het EHRM in het arrest Scordino, waaruit naar zijn oordeel blijkt dat deze ruimte ook aanwezig is indien uitsluitend is voorzien in de mogelijkheid van schadevergoeding achteraf.

3.3. Met betrekking tot de hoogte van een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn die binnen het Nederlandse rechtssysteem aangewezen is, overweegt de Raad als volgt.

3.4. In het voorliggende geval betreft het een procedure in drie instanties, te weten bezwaar, beroep en hoger beroep. De Raad merkt daarbij de bezwaarfase als een afzonderlijke instantie aan, nu het hier gaat om een in beginsel verplichte procedure voor de behandeling van een tussen partijen bestaand geschil, die moet worden gevolgd alvorens de belanghebbende dit geschil aan de rechter kan voorleggen. De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties is naar het oordeel van de Raad in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad laat daarbij wegen dat de belanghebbende een zwaarwegend belang heeft bij duidelijkheid over zijn uitkeringssituatie.

3.5. Heeft – in zaken zoals deze – de totale procedure langer dan vier jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de verschillende instanties in beginsel binnen de volgende termijnen zouden moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 12 november 2008 (LJN BG5163, ECLI:NL:CRVB:2008:BG5163)).

3.6. Is in een of meer instanties sprake van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, dan is er een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure als geheel. Met het oog op de vaststelling van de hoogte van de voor de overschrijding toe te kennen schadevergoeding dient vervolgens de omvang van de overschrijding te worden vastgesteld. Daarbij vormt in zaken zoals deze de onder 3.4 en 3.5 genoemde termijn van vier jaar in beginsel het uitgangspunt.

3.7. Voor de vaststelling van de hoogte van de voor de overschrijding toe te kennen schadevergoeding dient naar het oordeel van de Raad enerzijds te worden gelet op hetgeen binnen het Nederlandse rechtssysteem gangbaar is. Daarbij is van belang dat, zoals de gemachtigde van de Staat heeft opgemerkt, bij de (civiele) rechter in het algemeen sprake is van een grote mate van terughoudendheid bij het toekennen van schadevergoeding wegens immateriële schade. Anderzijds moet acht worden geslagen op hetgeen, blijkens zijn rechtspraak, het EHRM in vergelijkbare gevallen toekent. De Raad tekent daarbij aan dat het door de gemachtigde van betrokkene genoemde arrest Pizzati is achterhaald door het arrest van 29 maart 2006 in diezelfde zaak van de grote kamer van het EHRM (gepubliceerd in JB 2006/134).

3.8. Het onder 3.7 overwogene in aanmerking nemend, acht de Raad in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,– per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

3.9. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 18 oktober 2002 van het bezwaarschrift van betrokkene tot de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en ruim drie maanden verstreken. Dit is meer dan vier jaar, zodat per instantie dient te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. In zijn uitspraak van 11 juli 2008 heeft de Raad onder 6.3.1 reeds geoordeeld dat dit niet het geval is geweest bij het Uwv omdat in dit geval een behandelingsduur van acht maanden in bezwaar gerechtvaardigd was, en evenmin bij de rechtbank. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad is van oordeel dat bij de Raad wel sprake is van een te lange behandelingsduur. De Raad ziet in de feiten en omstandigheden van dit geval aanleiding de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op vier jaar en twee maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn met twee jaar en ruim een maand is overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van vijf maal € 500,–, dat is € 2.500,–, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De Raad zal daarom de Staat, waaraan deze overschrijding moet worden toegerekend, veroordelen tot betaling van dit bedrag aan betrokkene.

3.10. De Raad ziet ten slotte aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure, begroot op € 483,– voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

  • Veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,–;
  • Veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 483,–, te betalen aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2009.

(get.) M.M. van der Kade.
(get.) B.E. Giesen.

OA

Eén gedachte over “ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009”

  1. Artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht is vervallen per 01-07-2013. Zie Staatsblad 2013, 162 & Staatsblad 2013, 50.

    De verzoekschriftprocedure van titel 8.4 ontneemt de behoefte aan een afzonderlijke bevoegdheid als voorzien in artikel 8:73 om in de beroepsprocedure tegen het schadeveroorzakende besluit een verzoek om schadevergoeding te doen. Artikel 8:91, eerste lid, bepaalt dat het verzoek ook kan worden gedaan hangende beroep of hoger beroep tegen het schadeveroorzakende besluit. Soortgelijke opmerkingen kunnen worden gemaakt ten aanzien van de procedure op grond van artikel 8:73a. De schadeprocedures van de artikelen 8:73 en 8:73a vervallen dan ook.

    Kamerstukken van deze wetswijziging
    Kamerstuk 32621 nr. 3 – Memorie van Toelichting
    Kamerstuk 32621 nr. 4 – Advies afdeling advisering Raad van State en nader rapport
    Kamerstuk 32621 nr. 5 – Verslag vaste commissie voor Veiligheid en Justitie
    Kamerstuk 32621 nr. 6 – Nota naar aanleiding van het verslag

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *